Skip to main content

Full text of "Het Valkhof En Oud Nijmegen Th Kuijper"

See other formats


www.stilus.nl 


CS HET VALKHOF CC 
EN OUD-NIJMEGEN 


BEKNOPTE BESCHRIJVING VAN - EN 
HISTORISCHE AANTEEKENINGEN 
OMTRENT DEN BURCHT, DE OUDE 
GEBOUWEN EN DE MUSEA VAN 
NIJMEGEN 


DOOR 


TH. KUIJPER 


PIPUQtheo. c llegïi 

NEQMAC O'-S S J. 


UITGAVE: 

BOEK- EN KUNSTDRUKKERIJ P. A. GEURTS, NIJMEGEN 



. het Hof, zooals de Nijmegenaar het noemt (blz. 3) C&P het Valkhof J 


INLEIDING. 


En opwaarts slingert zich de straat, waardoor 
Geel-roode stippen gloeien ; majesteit 
Omgeeft het Valkhof, droomend van den tijd 
Toen Keizer Karei daar zijn rust verkoos. 

Te Nijmegen geweest te zijn en het Valkhof niet 
te hebben bezocht, dat is zoo ongeveer te Rome te 
zijn geweest en den Paus niet te hebben gezien. Het 
Valkhof is een der aantrekkingspunten voor Nijmegenaars 
en vreemdelingen. De wandelaar zoekt er op de warme 
zomerdagen, in de lente en in den voorherfst koelte 
en schaduw; hij wandelt er rond, overziet voor de 
honderdste maal het panorama, dat zich voor hem uit- 
strekt, of zet zich neer op een der talrijke banken. Het 
„Hof , zooals de Nijmegenaar het noemt, is het wandel- 
park bij uitnemendheid ; en geen wonder, het biedt alles 
aan wat in een wandelpark verlangd kan worden : hoog 
geboomte, koele schaduw, rustige omgeving, schoon 
vergezicht, aangename zitjes en niets, dat het oog onaan- 
genaam treft ; want dank zij de belangstelling van een 
vroeger inwoner, den heer Straalman, die een som aan 
de stad legateerde voor het onderhoud van de wandel- 
plaats en dank zij verder de goede zorgen van het 
gemeentebestuur, wordt het Valkhof rein en zindelijk 
gehouden met een ijver, die wel geëvenaard, maar niet 
overtroffen kan worden. 

En de honderden en duizenden pleizierreizigers en 
dagjesmenschen, die ’s zomers de oude Rijksstad be- 
zoeken, gaan eerst naar ’t Valkhof, voordat zij andere 
merkwaardigheden bezien, of naar de heuvelen van 
Beek en Berg-en-Dal trekken. Zij treden het Valkhof 
binnen door den toegang bij de portierswoning of over 
de brug, die het Hof met het Kelfkensbosch verbindt 
en over den Voerweg leidt en die daar is gebouwd, 
als een dankbare hulde aan een drietal mannen: Mr. W. 


4 



Francken NGzn., H. L. Terwindt en Johs. H. Graadt 
van Roggen, die zich voor de stad hunner inwoning 
zeer verdienstelijk hebben gemaakt èn door hun be- 
moeiingen lot opneming van Nijmegen in het spoorwegnet 
èn door hun veelomvattende werkzaamheden om den 


uitleg der stad op de fraaiste en doeltreffendste wijze 
te doen plaats hebben, toen Nijmegen als vesting was 
opgeheven en de stad na langdurige onderhandelingen 
eigenares was geworden van de vestinggronden, die na 
de ontmanteling beschikbaar kwamen. 


. . . . door den toegang bij de portierswoning (blz. 3) 

( Ingang ValkhofJ 


5 


Die vreemdelingen dan gaan naar het Valkhof en 
wandelen er rond en bezien er vluchtig de z.g. Ruïne 
en de Karolingische kapel — waarover straks uitgebreider 
zal gesproken worden, — , maar vooral trekken twee 
punten hun aandacht, waar het uitzicht het heerlijkst is. 

Het eene is bij een balustrade, waarop te lezen staat: 

Quem dabis, haec possit qui dare cuncta locuml wat 
eenmaal, zeer vrij en minder juist vertaald is tot: 

„Weet gij mij een plaats te noemen, 

Die op zooveel schoons kan roemen?” 

Wellicht zou het juister zijn, dat opschrift te ver- 
talen door: 

„Welke plaats zult gij Hem geven. 

Die dit al heeft kunnen geven?” 

Op dat punt overziet men een der kronkelingen van 
de Waal, meestal gestoffeerd met schepen en stoom- 
booten, soms afzonderlijk, soms in lange sleepen de 
rivier op- of afvarende. 

Het tweede punt, dat wij bedoelden, ligt achter 
de Karolingische kapel. Ook daar staat een bank en 
vindt men een opschrift op de balustrade: 

Hic stetit, bic frendens aquilas , bic lumine torvo 
Claudius ultrices vidit adesse manus ; d. i. „Hier stond 
Claudius (Civilis), hier zag hij knarsetandend en met 
verbolgen blik de Romeinsche adelaars en de wrekende 
legioenen naderen.” 

Dit opschrift heeft betrekking op een plaats bij Tacitus, 
Hist. lib. V Cap. 19 waar men leest, dat Claudius 
Civilis bij Xanten verslagen, het Oppidum Batavorum, 
met tegen de Romeinen onder Cerealis durfde ver- 
dedigen, maar alles meevoerende, na de stad in brand 
te hebben gestoken, de wijk nam naar de Betuwe, het 
eiland der Batavieren 1 ). 

Latere opgravingen van Dr. Holwerda hebben aan- 
getoond, dat de burchtstad van Claudius Civilis lag op 

9 Gepubliceerd in de Oudheidk. Mededeel, v. ’s Rijks Mus. 
v. Oudh. te Leiden. N. R. I en II. 


6 



het plateau, dat als Kopsche Veld bekend is en gelegen 
is achter het café Valk ter zijde van den Kopschen Hof, 
in de richting van den Ubbergschen Veldweg. Het 
opschrift zou dus daar behooren te staan. 


. . . . de brug, die het Hof met het Kelfkensbosch verbindt (blz. 3) 

( Monumentale brugj 

Daar op het heuvelplateau lag een zware walmuur 
uit hout en aarde gebouwd, die een eenigszins hoef- 
ijzervormig binnenterrein omvatte. Overblijfselen van 
dezen muur kan men nog aan den N. rand van het 



7 


plateau waarnemen in den vorm van een laag walletje 
dat daar tusschen de beide toegangen naar Hotel Valk 
langs den N. bergrand te vervolgen is. Ook de hooge 
met hooge boomen begroeide heuvel op het plateau 
zal waarschijnlijk een overblijfsel van deze versterkings- 
omleg geweest zijn. Ongeveer daar waar thans de 
westelijke toegang naar Hotel Valk zich bevindt, kwam 
eenmaal een holle weg naar boven, thans met puin van 
de nederzetting geheel gevuld en leidde zoo tusschen 
twee bastions van hout en aarde door binnen den burcht. 
De tweede ingang tot den burcht was aan de zuidzijde, 
juist recht tegenover dezen noordelijken ingang gelegen. 
Daar waar thans het heuvelplateau aan de zuidzijde 
begint te dalen, liep de zware walmuur, en ten zuiden 
van dien walmuur, waar de zuidelijke poort lag, juist 
langs den Ubbergschen Veldweg, nog een zwaar buiten- 
bolwerk ter bescherming van dien ingang. De sporen van 
houten balken en palen in den grond teekenden het ge- 
heele verloop van walmuur en bolwerken in den bodem af. 

Beide poorten van de burcht waren verbonden door 
een weg met keien geplaveid en om dien weg lagen 
de huizen uit hout en leem gebouwd, zoowel van 
ronden en ovalen vorm als vierkant. Het grootste deel 
van het burchtplateau bleef echter open, zonder twijfel 
om de vluchtelingen uit de Betuwe op te nemen, die 
in tijden van gevaar binnen deze zware muren be- 
scherming zochten. 

De aanleg van dezen geheelen burcht draagt nog vol- 
komen een inheemsch karakter, het is juist zulk een 
burcht als we in vele gebergten van Duitschland, o. a. 
ook in het land der Chatten, volgens Tacitus het stam- 
land der Bataven, weervinden. Merkwaardig is het 
echter dat de voorwerpen, die in grooten getale hier 
gevonden zijn, zij het ook in fragmenten, in hoofdzaak 
van Romeinsche afkomst zijn. Blijkbaar hebben die 
Bataven zich bij voorkeur van de betere Romeinsche 
importwaren bediend. Waar nu dit Romeinsche goed 
voor ons precies dateerbaar is, kunnen we met zekerheid 
zeggen, dat deze burcht bestaan heeft omstreeks eenige 


8 


jaren vóór Chr. geb. tot ongeveer het jaar 70 na Chr. 

Tacitus verhaalt ons hoe Civilus in het jaar 70 zijn 
eigen burcht door brand verwoestte. In deze over- 
blijfselen hebben we dus zeker wel dien burcht der 
Bataven te herkennen. Als merkwaardigheid kan nog 
worden vermeld dat ook het vijvertje op het terras van 
Hotel Valk tot dezen aanleg schijnt te hebben behoord. 
Althans naast den burcht liep eenmaal een voetpad naar 



.... daar vindt men een opscl rift op de balustrade (blz. 5) 

(Op het Valkhof) 

dit vijvertje toe. Het diende klaarblijkelijk voor de 
watervoorziening der burchtbewoners. 

Dezelfde geleerde heeft ook de legerplaats van het 
Romeinsche tiende legioen teruggevonden, begrensd 
door Berg-en-Dalschen weg, Broerweg, Beekmansdal, 
den bergrand langs den Beekschen weg en Eleonora- 
straat (thans Museum-Kamstraat). Dat tiende legioen is 
daar verschenen in verband met den opstand der Bata- 
vieren, die met de vlucht van Claudius Civilis eindigde. 
Aan alle zijden werd de spitse diepe vestinggracht 



9 


weergevonden, behalve natuurlijk langs den N. bergrand, 
waar slechts de overblijfselen van een vestingmuur 
werden gevonden. Achter de gracht liep een muur van 
hout en aarde. De poort in het W. front werd achter 
het Canisiuscollege ontgraven; in het O. loopt de 
Ubbergsche Veldweg door de oude poort heen. De 
andere poorten ten N. en ten Z. liggen onder de 
huizen en in den bergrand verborgen. De hoofdweg 
door de vesting liep een eind ten O. van den Huygens- 
weg in* dezelfde richting als deze, en de beide nieuwe 
villa’s aan dezen weg liggen juist op de plek waar eenmaal 
het hoofdgebouw, het praetorium van de vesting stond. 

Deze vesting, bijna 30 H.A. groot, was in de laatste 
dertig jaren der eerste eeuw na Chr. de groote legioens- 
vesting van het X e legioen, gelijk de gestempelde 
bouwmaterialen van dit legioen bewijzen. 

Op de hierboven aangewezen plek is het nieuwe 
museum-Kam verrezen, dat een schat van Romeinsche 
en Middeleeuwsche oudheden bevat, die ten deele 
daar zijn opgedolven. Voor verdere bijzonderheden om- 
trent dit museum verwijzen wij naar het hoofdstuk, dat 
daarover handelt. 

Wij zijn afgedwaald, wij waren achter de z.g. „Heiden- 
sche” kapel; daar is het uitzicht zoo mogelijk nog schoo- 
ner; rechts en vlak voor den beschouwer de Waal met 
haar levendige stoffage ; links het gezicht gedeeltelijk over 
de daken van een stukje Oud-Nijmegen met hare steile 
straten, gedeeltelijk langs en over de Waal met de kolossale 
spoorbrug; maar vooral op den tegenoverliggenden Waal- 
oever het lieve Lent met zijn twee torens, zijn half in 
t groen verscholen landelijke woningen en villa’s; zijn 
buitendijks gelegen weiden ; de schipbrug, die met de 
pont „Zeldenrust” de verbinding der beide oevers vormt 
en het aardig gelegen hotel Lent, waar de Nijmegenaar 
s zomers ’s avonds onder het lindendak theedrinkt en 
familie en niet moe wordt te zien naar de scheepvaart 
op de Waal, naar de amphitheater-gewijze opgebouwde 
stad, naar de oploopende straten, naar de weerkaatsing 
van electrische lantarens in de breede rivier. 



% 


En weer anderen bezoeken het Valkhof op Zondag- 
en Woensdagmiddag in den zomer als op kosten der 
gemeente hier muziekuitvoeringen plaats hebben, die heel 
wat publiek trekken, verschillend naar den dag, waarop 
ze gegeven worden. 

En nog weer een ander publiek bezoekt het Valkhof, 
een publiek, dat niet komt voor ontspanning, niet om 
te wandelen, niet in de eerste plaats om uit te zien, 
maar dat er komt met iets van heiligen eerbied voor 
een der oudste historische plekken uit ons vaderland. 

Tot dat publiek, wel kleiner in aantal, maar wellicht het 
grootst in belangstelling, willen wij ons|in hetgeen nu 
volgt in de eerste plaats richten en spreken over hetgeen 
er was en gebeurde en over hetgeen er nog van het 
oude is bewaard gebleven. 



. . . . met hare steile straten (blz. 9) 


( LindenbergJ 



het was een kasteel van grooten omvang met ruime vertrekken en vele torens (blz. 14 ) 

( Naar een schilderij vermoedelijk van Jan van Goijen). 


I. 


HET VALKHOF EN ZIJN GESCHIEDENIS. 

In de afleiding van den naam Valkhof zullen wij 
ons niet verdiepen. Duidelijk schijnt die niet te zijn. 
Men heeft gedacht aan de „valken**, die Lodewijk de 
Vrome op de voorplaats van het Hof hield voor de 
jacht; anderen hebben gemeend er een verbastering in 
te moeten zien van „Frankenhof ”, nog anderen van 
„Vahalenhof * of Waalhof. Maar wel moeten wij wijzen 
op de verschillende plekken, die met dien naam worden 
of werden aangeduid. 

In de eerste plaats is het Valkhof het wandelpark 
op den Zuid-Oostelijksten heuvel der eigenlijke stad, 
waartoe de straks genoemde poort en de monumentale 
brug over den Voerweg toegang verleenen en die aan 
de Noordzijde afhelt naar de Waalkade. Die wandel- 
plaats wordt in Nijmeegsche stukken en door de 
Nijmegenaars gewoonlijk „het Hof” genoemd. Maar 
als Valkhof staat ook bekend het pleintje, dat zich 
uitstrekt tusschen den Schouwburg en het R. K. Ver- 
eenigmgsgebouw ; het Kelfkensbosch vormde en vormt 
nog eenigszins daarmede één geheel. 

Dat geheele terrein, èn Hof èn Valkhof èn Kelfkens- 
bosch lag tot 1467 buiten de eigenlijke stad, die tot 
dat jaar begrensd werd door Oude Stadsgracht, Oude 
Varkensmarkt en Doddendaal en daar ter plaatse toe- 
gankelijk was door de Burchtpoort, waarnaar nu nog 
een koffiehuis in de omgeving wordt genoemd. 

Het eigenlijke Valkhof, de wandelplaats, heeft er 
tot het laatst der 18e eeuw heel anders uitgezien dan 
nu het geval is. Toen was het bedekt met een samen- 


14 


stel van gebouwen, die te zamen den Burcht, hel 
palatium, den „Kaiserpaltz” uitmaakten. 

Het was een kasteel van grooten omvang met ruime 
vertrekken en vele torens, van welke de Backtoren, de 
Leeuwentoren en de groote, vierkante Reuzentoren de 
voornaamste schijnen geweest te zijn ; het had ruime 
pleinen, twee kapellen, was afgesloten door ringmuren 
en voorzien van een slotpoort. 

Van dat paleis, dien burcht, bestaan nog afbeeldingen 
in de oudere stadsbeschrijvingen en de schilderij in de 
Raadzaal op het Stadhuis geeft er een beeld van en 
doet ons te meer betreuren, dat wij niet meer in de 
gelegenheid zijn, door die zalen te dolen en die torens 
te beklimmen en ons gemakkelijker te verplaatsen in de 
tijden van weleer. 

Vondsten van Romeinsche overblijfselen op het Valk- 
hof gedaan en bewerkt door Nijmegen’s Archivaris, 
den heer M. Daniels 1 ), wijzen er op dat, al stond 
hier waarschijnlijk nooit eenige Romeinsche vesting, er 
toch zeker wel Romeinen hebben gewoond, en wel in 
het bijzonder in de eerste jaren van hun vestiging in 
deze stad onder de regeering van keizer Augustus en 
kort daarna, en verder vooral ook op het laatst der 
Romeinsche bezetting in de vierde eeuw na Chr. 

Waarschijnlijk is het, dat de plek niet uit het oog 
werd verloren en dat er al spoedig een burcht, een 
sterkte, is gebouwd, die ook tot vorstelijk verblijf werd 
ingericht. Reeds in 77 6 is er sprake van een giftbrief, 
dien Karei de Groote hier verleende en er wordt be- 
weerd, dat deze vorst hier in 777 het Paaschfeest 
vierde. Dat toen de Burcht reeds den omvang zou gehad 
hebben, dien men er zoo gaarne aan toekent, is niet 
zeker; zelfs is het waarschijnlijk, dat de Keizer eerst 
in de laatste jaren zijner regeering tot vergrooting van 
den Burcht besloot en juist door zijn belangstelling voor 
die verbouwing hier tusschen 804 en 814, het jaar 


*) In de Oudheidkundige Mededeel, van ’s Rijks Museum v. 
Oudh. N. R. II. 


15 


van zijn dood, zoo gaarne vertoefde. Of hier ook Paus 
Leo III verblijf hield en zooals wel beweerd is, de z.g. 
Karolingische kapel wijdde, kan niet met zekerheid 
worden gezegd : men mag niet vergeten, dat de groote 
mannen der vroege Middeleeuwen soms de eer genoten, 
dat allerlei daden aan hen toegeschreven en allerlei 
feiten om hen gegroepeerd werden ; zij zijn nu en dan 
in een mytisch en mystisch waas gehuld en meermalen 
wordt en werd in de Nijmeegsche geschiedenis van 
Keizer Karei gesproken, zonder dat de zekerheid be- 
staat, dat er een vorst van dien naam bij te pas kwam 
of, dat de bedoelde Keizer Karei die was, die onder 
den naam van Charlemagne bekend staat. 

Zooals wij reeds zeiden, was Karei de Groote hier 
tusschen 804 en 814 meermalen en in 806 o. a. was 
hij er met vele Frankische grooten, en deed hij er de 
rijksverdeeling tusschen zijn zonen Karei, Lodewijk en 
Pepijn bezweren. 

Niet alleen Karei de Groote, maar ook de verdere 
koningen uit het Karolingische stamhuis bezochten vrij 
geregeld den Burcht. Zoo o. a. Lodewijk de Vrome, 
die er het Rijk verdeelde onder zijn zonen Lotharius, 
Pepijn en Lodewijk, terwijl de nadere verdeeling in 838 
tusschen Lotharius en Karei den Kalen, zoon uit Lode- 
wijk’s tweede huwelijk, ook hier plaats vond. 

Natuurlijk deelde het Valkhof ook in de rampen van 
den oorlog en in de gevolgen van de veeten der middel- 
eeuwsche stammen en vorsten. Zoo was Lodewijk de 
Vrome in 828 reeds naar Nijmegen overgekomen om 
maatregelen te beramen tegen de invallen der Noor- 
mannen. Afdoende zijn die maatregelen zeker niet ge- 
weest, want in 880 waren de woeste benden tot 
Nijmegen doorgedrongen, waar zij een hoogen wal en 
grachten aanlegden en zich in het Rijkspaleis verschansten. 
De toenmalige Koning Lodewijk sloeg het beleg voor 
Nijmegen en noodzaakte de Noormannen tot een ver- 
drag, waarbij zij beloofden de stad en den Burcht te 
zullen ontruimen. Dat deden zij ook, maar zij slechtten 
de vestingwerken en verbrandden het Rijkspaleis. 



. . . . dat het oorspronkelijk paleiskapel is geweest (blz. 29 ) 

( Karolingische k a pel) 


17 


In 911 stierf het Karolingische stamhuis uit en de 
keizers, die daarna over het Duitsche rijk regeerden 
volgden het voorbeeld hunner voorgangers door her- 
haaldelijk den Burcht te bezoeken voor regeeringsdaden, 
die hun tegenwoordigheid in deze landen noodig of 
althans gewenscht maakten. 

Het is niet noodig van die herhaalde bezoeken mel- 
ding te maken; slechts enkele daarvan stippen wij aan, 
omdat zij óf om den persoon, óf om de reden van het 
bezoek, óf om bijomstandigheden min of meer merk- 
waardig zijn. Zoo waren hier achtereenvolgens Otto I 
en Otto III; de moeder van dezen laatste stierf hier, 
maar werd te Keulen begraven. 

Herhaaldelijk vertoefde op den Burcht ook Koen- 
raad II, die in 1039 langen tijd hier ziek lag en kort 
nadat hij zich van hier naar Utrecht had begeven, daar 
stierf. Zijn zoon en opvolger, Hendrik III, die te Ooster- 
beek geboren was, toen het keizerlijk echtpaar van 
Nijmegen naar Utrecht trok, vertoefde vaak op het 
Rijkspaleis, en hield op den Burcht een algemeenen 
landdag. Zulke landdagen waren vaak noodig om de 
onderlinge twisten der heeren en vazallen te beslechten 
of om opstandigen onder hen tot rede te brengen. 
Zoo had Hendrik II in 1018 op het paleis een bevel 
uitgevaardigd aan Dirk III van Holland, om het tolhuis, 
dat deze aan de Merwede had opgericht en dat de 
oorsprong van Dordrecht was, te slechten, omdat het 
een belemmering was van den vrijen handel van het rijk. 

Hendrik III, dien wij zoo even noemden, lag over- 
hoop met Godfried II van Lotharingen en deze laatste 
drong tot Nijmegen door en verbrandde in 1047 het 
Rijkspaleis. 

Deze vernieling was voor Nijmegen en den Burcht 
van groote beteekenis, want gedurende ongeveer een 
eeuw kwamen de Duitsche keizers nog wel van tijd 
tot tijd te Nijmegen, maar van een langer verblijf was 
maar zelden sprake; meestal deden zij Nijmegen slechts 
aan, om naar Utrecht door te reizen. 

De opvolger van Koenraad III, die in 1147 en in 


18 


1 1 50 nog een poos verblijf hield in het overschot van 
het oude Rijkspaleis en die in 1 1 52 stierf, was Frederik 
Barbarossa. Deze herstelde den Burcht in ouden luister 
en beschermde Nijmegen met wallen en muren. Van 
die verbouwing is de z.g. Barbarossa-ruïne afkomstig, 
waarover wij nader spreken (blz. 36). Ook in 1164 



bij de ontmanteling der stad zijn de overblijfselen terug- 
gevonden (blz. 19). fGeertruidakapelJ 

verbleef Frederik Barbarossa op den Burcht en daar 
beviel zijn gemalin, Beatrix, dochter van Reinoud II 
van Bourgondië van een zoon, den lateren Keizer 
Hendrik IV. Een van zijn opvolgers, Otto IV, be- 
vestigde in 1213 Willem I van Holland, die zich van 
de grafelijke regeering in dat gewest had meester ge- 
maakt, in al de leengoederen en bezittingen, die de 


19 


vroegere graven van Holland in leen hadden gehad van 
het Duitsche rijk. 

Betrekkelijk kort daarna is er voor het Duitsche rijk 
een troebele tijd aangebroken. Frederik II en zijn zoon 
Koenraad werden door Paus Gregorius IX van den 
troon vervallen verklaard en van deze gelegenheid 
maakte Otto III van Gelder gebruik om zich van den 
keizerlijken burcht meester te maken. Maar Willem II 
van Holland, die door eenige rijksvorsten, gesteund 
door Paus Innocentius IV, tot Roomsch-Koning was 
verkozen, liet zijn rechten op den Burcht gelden. Otto 
eischte echter de onkosten, die hij gemaakt had terug 
en daar Willem II niet in staat was, hem het bedrag 
uit te betalen, verpandde laatstgenoemde het paleis en 
de stad Nijmegen met haar onderhoorigheden voor 
„16000 Mark zilvers” aan graaf Otto, totdat deze som 
door den Roomsch-Koning zou zijn terugbetaald. De 
stad bleef echter rijksstad en dus onder bescherming 
van het Duitsche rijk. V^illem II vertoefde verscheidene 
malen op den Burcht en bij een van die gelegenheden, 
in 1 254, gaf hij verlof om de Kerspel-kerk, die tot 
dien tijd buiten de muren der stad had gestaan, binnen 
de omwalling te bouwen. Van de oude kerk, de Geer- 
truidakerk of juister de Geertruidakapel, zijn bij de 
ontmanteling der stad in het laatste kwart van de 1 9e eeuw 
de overblijfselen teruggevonden, zooals zij nog te zien 
zijn bij de brug, die naar de Belvédère voert. De 
nieuwe Kerspel-kerk, tot welker bouw in 1254 verlof 
werd gegeven, werd de St. Stevenskerk. 

Met Otto III kwam Nijmegen met den Burcht aan 
e graven (hertogen) van Gelder. Zijn opvolger Reinoud I 
werd in 1273 door keizer Rudolf in het, reeds vroeger 
verhoogde, pandschap bevestigd, maar daar het paleis 
rijkseigendom was gebleven, ontving het nog herhaaldelijk 

Alk UltSC ^ e k eiZers * ^ 00 kwam * n het jaar 1 300 keizer 

recht daar, naar aanleiding van de vermetelheid van 
Jan II van Henegouwen, die zich na het uitsterven van 
het Hollandsche gravenhuis van het graafschap Holland 
trachtte meester te^maken. Zelfs bedreigde deze Jan II 


20 


met een vloot het land van Nijmegen en er had een 
ontmoeting op de Waal plaats bij Bruinswaerd tusschen 
Nijmegen en Winssen. Op 1 5 Augustus van dat jaar 
kwam het tot een vergelijk, waarbij de keizer aan ge- 
noemden Jan II het graafschap Holland in leen gaf. 

Met het bestuur van Reinoud I (zie boven) waren 
de Nijmegenaars zeer weinig tevreden. Zij ontsloegen 
hem in 1316 van den eed, d. i. zij zeiden hem de ge- 
hoorzaamheid op en verbonden zich met zijn zoon, 
Reinoud II, die zijn vader gevangen nam. Deze Reinoud II 
was in tweede huwelijk gehuwd met Eleonora van 
Engeland. Zij was onder beschuldiging van melaatsch- 
heid door haar echtgenoot verstooten ; in 1 340 verscheen 
zij met haar beide zoontjes Reinoud en Eduard op den 
Burcht om zich van de beschuldiging te zuiveren. Rei- 
noud II overleed in 1343, Eleonora in 1355. Haar 
beide zonen, de zooeven genoemde Reinoud en Eduard 
waren van zeer verschillend karakter en er ontstond 
tusschen deze beiden een twist, die aanleiding gaf tot 
den burgeroorlog, die als de twisten der Heeckerens 
(Reinoud) en Bronckhorsten (Eduard) in de geschiedenis 
bekend is. Voorloopig werd deze burgertwist beslecht 
door den slag bij Tiel (1361), waarin Eduard over- 
winnaar bleef. Reinoud werd gevangen gezet. Maar 
Eduard zelf wandelde ook niet op rozen. Terwijl hij 
in 1 364 op het Hof vertoefde, ontdekte hij een samen- 
zwering, die ten doel had den Burcht in brand te steken 
en hem gevangen te nemen. De hoofdaanleggers werden 
ter dood gebracht, maar in 1371 viel hij zelf ten offer 
aan een moordaanslag van een zijner onderhoorigen. 
Reinoud,, zijn broer, werd nu vrijgelaten ; hij verzoende 
zich met de vroegere aanhangers van Eduard en be- 
vestigde de tolvrijheden van Nijmegen. 

Met het kinderloos overlijden van Eduard en Reinoud 
van Gelder, kwam het Guliksche huis aan ’t bewind 
met Willem, zoon van een zuster der beide vorige 
hertogen. Er werd een overeenkomst met de stad aan- 
gegaan, dat de poorten en torens van den Burcht 
onversterkt zouden blijven en dat geen burggraaf met 


21 



meer dan 20 paarden de stad zou mogen binnenkomen. 
Deze Willem werd eerst in 1379 meerderjarig ; hij lag 
al spoedig met de Brabanders overhoop, maar versloeg 
hen bij Niftrik ; de buit werd naar Nijmegen vervoerd. 
Hij stierf in 1 402 en werd opgevolgd door Reinoud IV, 
die in 1416 door keizer Sigismund op den keizerlijken 
burcht in zijn waar- 
digheden als Hertog 
van Gelder en Gulik 
werd bevestigd. 

Deze Reinoud 
stierf in 1 423 en werd 
opgevolgd door Ar- 
noud van Egmond, 
kleinzoon van Rei- 
noud’s zuster. Deze 
huwde met Catha- 
rina van Kleef, maar 
wekte al spoedig on- 
tevredenheid o. a. bij 
de Nijmegenaars ; hij 
verpandde n.1. we- 
gens geldgebrek al 
zijn heerlijkheden en 
sloten, terwijl hij, naar 
vermeld wordt, het 
stapelrecht van Nij- 
megen aan Dordrecht 
overdroeg, natuurlijk 
tegen betaling van 
een zekere som gelds. 

Gedurende de ja- 
ren, waarin hij een reis deed naar Rome en Jeruzalem, 
ondernam zijn gemalin, Catharina van Kleef, groote her- 
stellingen aan den Burcht (1 430— 1 453), die eenige jaren 
later (1467) binnen de muren der stad werd getrokken 
bij den eersten uitleg. 

De ontevredenheid met Arnoud’s bestuur, de on- 
eenigheid tusschen hem en zijn gemalin, en het heersch- 


. . . . waar haar graftombe nog aanwezig 
is (blz. 22) ( St. Stevenskerk ) 


22 


zuchtig karakter van hun zoon Adolf, hadden tengevolge, 
dat deze zich met de ontevreden Nijmegenaars verbond, 
zich van het bewind meester maakte en zijn vader in 
1464 te Grave gevangen zette. Hij werd op den Burcht 
ingehuldigd met zijn gemalin Anna Catharina van Bour- 
bon. Deze overleed een paar jaar na haar huwelijk op 
het Hof en werd begraven in de St. Stevenskerk, waar 
haar graftombe nog aanwezig is. 

De oude Hertog Arnoud stierf in 1473, en nu maakte 
Karei van Bourgondië, meer bekend als Karei de Stoute, 
aanspraak op de regeering, omdat Arnoud hem zijn 
landen en bezittingen had verpand. Hij belegerde Nij- 
megen, maar had bevel gegeven het Hof niet te be- 
schadigen. Toen men hem de stad moest inruimen, 
werd hij op het Hof gehuldigd. De twee kinderen van 
Adolf werden gevangen genomen en te Gent in Vlaande- 
ren in bewaring gehouden. 

Er volgde nu een onrustige tijd. Karei de Stoute 
sneuvelde in 1477 en ook hertog Adolf. Nu maakte 
Willem van Egmond, broeder van Arnoud, aanspraak 
op de voogdij over de onmondige kinderen van Adolf, 
terwijl Maximiliaan van Oostenrijk, die gehuwd was 
met Maria, dochter van Karei den Stouten, ook zijn 
of haar aanspraken deed gelden. 

In de twisten en beroeringen, die hierdoor ontstonden 
werden o. a. de beide zonen van Willem van Egmond 
op den Burcht gevangen gezet en de toren, waar zij 
werden opgesloten, heette sedert dien tijd „de Egmond- 
sche Toren '. Snel werden Maximiliaan en Maria op 
den Burcht als Hertog en Hertogin ingehuldigd, maar 
Karei van Egmond, een der zonen van Adolf, maakte 
gebruik van den weerzin der burgerij tegen de Bour- 
gondiërs en Oostenrijkers en hij deed in 1 5 1 9 met zijn 
gemalin zijn intocht in den Burcht. Hij liet den gehaten 
Egmondschen toren, waarin zijn familieleden gevangenen 
waren geweest, slechten ; versterkte den Burcht in strijd 
met vroegere beloften en het einde was natuurlijk nieuwe 
ontevredenheid. De burgerij van Nijmegen vernielde en 
slechtte de door Karei aangebrachte versterkingen onder 


23 


leiding van Jacob Canis, Burgemeester van Nijmegen 
(1537). Karei stierf van hartzeer en nu volgde een 
verre bloedverwant, Willem van Kleef hem op. Deze 
werd in 1538 op het Valkhof plechtig ingehaald. Veel 
genoegen heeft hij van zijn hertogelijke waardigheid niet 
gehad : Keizer Karei V deed als nakomeling van Karei 
den Stouten zijn rechten op Gelder gelden; hij liet 
Willem voor zich komen in zijn legerplaats bij Venlo 
en liet hem zweren voor altijd afstand te doen van de 
landen van Gelder, en beloven den Keizer trouw en 
onderdanig te zijn (1543). Ook de Ridderschap en de 
steden huldigden hem en twee jaar later werd de Keizer 
in gezelschap van zijn zuster Maria, Koningin van 
Hongarije, landvoogdes der Nederlanden, met ongewone 
pracht op den Burcht ontvangen. In 1 549 werd Karel’s 
zoon, de latere Philips II, mede op het Valkhof, als 
toekomstig heer en gebieder gehuldigd. 

Nog eenmaal was het Valkhof getuige van vorste- 
lijken luister. In 1570 liet Alva belangrijke voorberei- 
dingen treffen voor de ontvangst van Anna van Oostenrijk, 
toen de bruid, later de vierde gemalin van Koning 
Philips. Zij werd, na haar blijden intocht, op het Valkhof 
begroet door afgevaardigden van de Nederlandsche 
gewesten, die haar als toekomstige landsvrouwe kwamen 
huldigen. 

Maar sedert dien tijd veranderde het Valkhof al heel 
spoedig van bestemming. In 1577 vergaderden er de 
ridderschap van Gelderland en de vertegenwoordigers 
der cteden van het vorstendom Gelder en het graafschap 
Zutfen om er een stadhouder te verkiezen en de raden 
van den Hertog uit hun ambt te ontzetten. Graaf Jan 
van Nassau werd als stadhouder gekozen en bezwoer 
op het Valkhof op 2 Juni 1578 zijn instructie. 

De afzwering van Philips in 1581 maakte nieuwe 
regelingen noodig. De landelijke en kwartierlijke ver- 
gaderingen werden voortaan in het klooster der Predik- 
heeren gehouden en de Burcht werd verblijf voor den 
burggraaf, die het Duitsche rijk en den Keizer ver- 
tegenwoordigde. De ambtsvergaderingen van het rijk 


24 


en de burgerlijke en strafgedingen werden op den Burcht 
gehouden en de lijfstraffen werden aan de voorpoort 
van den Burcht voltrokken. De burggraaf was ambtman 
en rechter over het Nijmeegsche kwartier en Over-Betuwe. 
Uat ambtmanschap bleef aan het ambt van burggraaf ver- 
bonden tot den dood van Jacob van Rand wijck. Daarna 
werd het bekleed door leden van de familie Van 
Lijnden, che echter alleen rechter waren (18* eeuw). 

In 161 werden nog enkele vertrekken in het Valkhof 
in gereedheid gebracht en gemeubileerd met het oog 
op het verblijf van den toenmaligen stadhouder. Prins 
Maunts. Toen in 1672 ten gevolge van de belegering 
en het bombardement door de Franschen onder Turenne 
de bt. btevenskerk onbruikbaar was geworden, werden 
de godsdienstoefeningen tijdelijk in deze z.g. Prinsen- 
kamer gehouden. 

Nog eenmaal werden verbeteringen aan den ouden 
Burcht aangebracht, toen in I 769 nieuwe vertrekken op 
de tweede verdieping werden aangebouwd. En in I 786 
werden deze ook werkelijk door den Prins-Stadhouder, 
voor wien zij bestemd waren, betrokken, echter onder 
geheel andere omstandigheden dan aanvankelijk was 
verondersteld. De burgertwisten in ’t laatst der 1 8e eeuw 
tusschen Prinsgezinden en Patriotten namen een zoodanig 
verloop, dat Willem V het raadzaam achtte eenigen tijd 
buiten den Haag te verblijven. Zooals gewoonlijk werd 
aan het zomerverblijf Het Loo gedacht ; maar de Prins 
correspondeerde met den toenmaligen burggraaf, Willem 
Baron van Lynden van Heumen over het betrekken 
van het Valkhof. Hij weifelde tusschen Arnhem, als 
hoofdstad van het gewest, en Nijmegen, waar hij zeker 
meende te zijn van den geest der bevolking, maar dat 
dit tegen had, dat het verkeer met den Haag moeilijker 
was en zelfs, in den winter, onmogelijk kon worden. 
Toch koos hij Nijmegen, waar hij zeker was, door den 
burggraaf, die tot de vrienden van het stadhouderlijk 
huis behoorde, welwillend te worden ontvangen Zoo 
kwam Willem V den 7 November 1 786 op het Hof 
en hij bleef er tot 23 September 1787. 



WAALZIJDE 


Zwart gearceerde gedeelten de 
ringmuren en diverse gebouwen. 

Het groen gedrukte de tegen- 
woordige parkaanleg. 


1. Heidensche kapel, 

2. Reuzentoren. 

3. Romaansche kapel, 

4. Put. 


Plattegrondteekening 
van den voormaligen 
Burcht 


Deze plattegrond is afgeleid uit de 
teekeningen van HOOGERS, kort vóór 
de slooping vervaardigd, en anderen. 


KELFKENSBOSCH 


25 


Daar op den ouden Burcht ontwierp zijn gemalin 
haar plan om naar den Haag te reizen en er een tegen- 
omwenteling te bewerken, welke toch zoo smadelijk 
mislukte, doordat de Prinses aan de Goejanverwelle- 
sluis bij Gouda werd tegengehouden en gedwongen 
werd onverrichter zake terug te keeren. Een inval der 
Pruisische troepen onder den Hertog van Brunswijk was 
daarvan het gevolg. Deze kwam den 1 1 September 1 787 
op den Burcht aan en trok den volgenden dag met de 

in Ooij, Persingen en Nijmegen samengetrokken troepen 

naar Holland op. 

Het was het begin van het einde. In 1794 drongen 
de binnengekomen Franschen in Maas en Waal door; 
de hoofden der gecoaliseerde mogendheden vergader- 
den onder den Hertog van York op den Burcht over 
het al of niet verdedigen der stad. De Franschen waren 
al tot Neerbosch genaderd en vielen den 27en October 
de voorposten aan. De Prins-Stadhouder kwam uit 
Arnhem op den Burcht terug en er werd besloten, dat 
de Hertog van York met het versterkte garnizoen een 
uitval zou doen. Den 5 November was de stad door 
haar bestuurders en magistraten verlaten, deels om be- 
stuursredenen, deels uit lafheid. Zoodra de Franschen 
met grof geschut de stad beschoten werd de Burcht 
hevig beschadigd; ook in de stad werd brand veroor- 
zaakt, o.a. verbrandde de kleine- of Broederenkerk. 
Den 8en verliet het garnizoen de stad en trokken de 
Franschen binnen. 

De Burcht was zoodanig beschadigd, dat het herstel 
groote geldsommen zou vorderen. Bovendien was zij 
in den nieuwen democratischen tijd een herinnering aan 
eeuwenoude vorstelijke grootheid ; en ten slotte had van 
uit dezen Burcht de gemalin van den Stadhouder ge- 
tracht de reactie in den Haag te doen zegevieren. 

Alles te zamen genomen vond de Landdag in Augustus 
1 795 reden genoeg om een voorstel te doen het ge- 
bouwencomplex van dit oude rijkspaleis te sloopen. 
Den 9 Februari 1796 werd het voor ƒ 90400 verkocht. 

# kwartier van Zutphen had tegengestemd ; de afge- 

2 



het gebouwencomplex van dit oude rijkspaleis te sloopen (blz. 25) 


27 


vaardigden van Nijmegen en van het Rijk van Maas 
en Waal hadden voorgesteld om den Reuzentoren, de 
twee Kapellen, de Hofpoort en de ringmuren, waaraan 
geen kosten behoefden besteed te worden, in wezen 
te houden. Maar een voorstel van het kwartier der 
Veluwe om slechts het terrein en de twee Kapellen (de 
Karolingische kapel en de Barbarossa-ruïne) te behou- 
den, werd door den landdag aangenomen. 

Zoodra de toeslag van den verkoop was gegund, 
werd door 100 a 1 50 man aan het sloopingswerk deel- 
genomen. Wat er overbleef kwam aan de stad Nijmegen 
tegen betaling van ƒ 10000. 

Na de slooping werd het terrein tot wandelplaats 
ingericht en in het jaar 1832 werd het op nieuw aan- 
gelegd en in den tegenwoordigen staat gebracht. 

Uit de boven vermelde geschiedkundige bijzonder- 
heden blijkt ten duidelijkste, dat de geschiedenis van 
den Burcht en die van Nijmegen onontwarbaar met 
elkaar verbonden zijn, al zijn er dan ook tijden geweest, 
dat de bezitters van het oude rijkspaleis en de burgerij 
eikaars felle tegenstanders waren. 

Het is te betreuren, dat bij de slooping niet een grond- 
plan van het gebouwencomplex van het voormalige rijks- 
paleis is samengesteld. Uit verschillende aanteekeningen 
en afbeeldingen kan men zich echter ongeveer een 
beeld maken van hetgeen het eens was (zie plattegrond). 
In het midden stond de Reuzentoren, die uit blokken 
tufsteen van 2 bij V 2 voet was opgebouwd ; de muren 
moeten een dikte gehad hebben van 5 tot 15 voet en 
de toren zelf moet afmetingen gehad hebben van 1 5 
bij 7 M. en hooger zijn geweest dan de Belvédère. 
Verder waren er op de later aangelegde ringmuren nog 
3 of 4 torens. Die ringmuur omvatte een open plaats 
voor ridderspelen. De hoofdingang in den ringmuur 
bevond zich, waar men nu nog het hof binnengaat; 
een andere toegang lag aan de Oostzijde. Wellicht is 
er nog een derde poort geweest. 

In de gebouwen vond men behalve de woningen 


28 


voor het dienend personeel en later het verblijf van 
den burggraaf met bijbehoorende gebouwen, een groot 
aantal zalen en kamers. 

De voornaamste was het palalium publicum, de ruime 
zaal voor regeeringsaangelegenheden. Verder vond men 
er de verblijven voor den vorst en zijn hofhouding met 
keukens, kemenade, bakkerij, brouwerij en andere der- 
gelijke inrichtingen. Enkele kamers werden genoemd 
naar de kleur, die ze kenmerkte; zoo is er sprake van 
een Roode kamer, waaraan een lusthuisje met volière 
verbonden was; een Blauwe kamer, die vensters had 
aan den Waalkant. Andere werden aangeduid naar 
vroegere of latere bewoners, b.v. de fConingskamer, de 
Prinsenkamer, de Burggravenwoning, de Mevr. van 
Randwijckskamer, de woning van Mevr. van Blitters- 
wijk, een verwante der Burggravin. 

Merkwaardig is het aantal stookplaatsen, die men er 
ten getale van 52 aantrof. 

Onder den Reuzentoren was natuurlijk een gevangenis. 
Deze was zoo diep, dat de gevangenen er met een 
touw in afgelaten werden; later vond men een trap 
niet ondienstig. Behalve deze waren er nog andere 
gevangenissen, maar deze waren van zoo weinig be- 
teekenis, dat de burggraven de misdadigers met minder 
zware straffen meestal naar de kelders onder het stad- 
huis lieten overbrengen. 



Romeinsch bronzen lampje. 


{Museum Kam) 


29 


DE KAROLINGISCHE KAPEL. 

In de laatste jaren, sedert 1 893, zijn vooral onder 
leiding van den toenmaligen Directeur van Gemeente- 
werken, den heer J. J. Weve, opgravingen gedaan en 
onderzoekingen ingesteld naar de twee straks bedoelde 
overblijfselen van den ouden Burcht. Het gevolg van 
deze ontgravingen is in de eerste plaats geweest betere 
kennis van de bouwwerken en juister inzicht in de be- 
teekenis en den bouw er van; in de tweede plaats is 
de belangstelling in deze monumenten vermeerderd en 
is de z.g. Karolingische kapel gerestaureerd. 

De heer Weve, een der beste kenners van het 
Valkhof, verschafte ons belangrijke aanteekeningen 
omtrent kapel en ruïne, waaraan wij het volgende 
ontleenen. 

Lang is het gebouwtje op den Noord-Westelijken 
uithoek van het Valkhof bekend geweest onder den naam 
van ,,Heidensche kapel , omdat men er een tempeltje 
uit den Romeinschen tijd in meende te moeten zien. 
In later jaren is men tot de overtuiging gekomen, 
dat het oorspronkelijk paleiskapel is geweest, waar 
de Keizer en degenen, die na hem op den Burcht 
zetelden, hun godsdienstplichten vervulden. Het Ker- 
spelkerkje, dat evenals de Burcht buiten de muren 
stond en waarvan de grondslagen nabij de Belvedère 
nog aanwezig zijn, was daartoe minder geschikt (zie 
blz. 19 en 20). 

Omtrent den stichtingstijd kunnen evenmin als omtrent 
dien van het rijkspaleis juiste data worden opgegeven. 
Het waarschijnlijkst is, dat er bij het begin van de 
regeering van Karei den Grooten in 768 te Nijmegen 
reeds een „palts van bescheiden afmetingen bestond ; 
immers hiervoor vermeldden wij reeds, dat de Keizer 
in 77 6 van uit zijn paleis te Nijmegen een giftbrief 
verstrekte en het is zeer onwaarschijnlijk, dat hij tusschen 
68 776, reeds terstond na het aanvaarden der regeering 

aan het bouwen van een paleis in een der uiterste 
deelen van het rijk had kunnen denken. Daarentegen 



. . . . het overige in tufsteen uitgevoerde werk van den zestienhoekigen 
mantel of buitenmuur (blz. 32) 

( Westelijk voorportaal der Karolingische kapel ) 


31 


wijzen de herhaalde bezoeken aan Nijmegen tusschen 
804 en 814 (het jaar van zijn dood) er op, dat er een 
bijzondere reden moest zijn om hier te vertoeven. Die 
reden kan geweest zijn de bouw van een nieuw paleis 
of de zeer uitgebreide verbouwing van een bestaand. 

De kroniekschrijvers zijn eenstemmig in het bericht, 
dat Karei te Nijmegen en te Ingelheim bij Mainz rijks- 
paleizen liet inrichten. 

Dat laatste, te Ingelheim, werd onder zijn opvolger, 
Lodewijk den Vromen, voltooid en de herhaalde be- 
zoeken van dezen laatsten vorst in zijn eerste regeerings- 
jaren aan Nijmegen gebracht, maken het waarschijnlijk, 
dat de bouw, onder Karei den Grooten begonnen, bij 
diens dood nog niet voltooid was. De achthoekige kapel 
zou dan ook in de laatste regeeringsjaren van Karei 
of in de eerste van Lodewijk kunnen zijn gebouwd 
en als een verwijderde navolging van de Akensche 
paleiskapel, het tegenwoordige Munster, moeten worden 
beschouwd. 

Reeds hiervoor doelden wij er op, dat de wijding 
van de kapel door Paus Leo III niet vaststaat en dat 
het zelfs waarschijnlijk is, dat in het bericht hieromtrent 
waarheid en verdichting dooreengemengd zijn. 

Sommige eigenaardigheden van den bouwstijl geven 
aanleiding om aan een jongere stichting dan in ’t begin 
van de 9 e eeuw te denken, waarbij dan Aken zeer 
zeker tot voorbeeld zou hebben kunnen dienen. Maar 
’t is hier niet de plaats daarop in te gaan. 

In elk geval is het oorspronkelijke gedeelte van de 
tegenwoordige kapel ruim duizend jaren oud en daarom 
reeds een bouwwerk van hooge en zeldzame waarde. 

Het „oorspronkelijke gedeelte”, zeiden wij, want er 
hebben aan het geheel allerlei veranderingen in den 
loop der tijden plaats gehad ; vooral in de 1 5 e eeuw 
onderging het gebouw wijzigingen, die het vroegere 
karakter ten deele hebben doen verdwijnen. Gelukkig 
bleef van het oudste werk genoeg gespaard om zich 
den eersten vorm te kunnen voorstellen. 

Zoo is de achthoekige kern met zijn stevige pijlers, 


32 


die de getoogde openingen der beide verdiepingen van 
elkander scheiden, in hoofdzaak onveranderd gebleven. 
De voornaamste veranderingen ontstonden door den 
torenvormigen bovenbouw in baksteenmetselwerk, en de 
gotische kruisgewelven boven de beide omgangen. De 
grootere hoogte, die deze gewelven verkregen, vergeleken 
bij die der oorspronkelijke kruisgewelven in antieken 
geest, had ten gevolge, dat de vloer der bovengalerij 
moest rijzen en dat daarmede de dorpels der toog- 
openingen tusschen de pijlers van die galerij, ten koste 
van de hoogte dier openingen ook hooger werden aan- 
gebracht. De zuiltjes, die deze toogopeningen verdeden 
en dubbelboogjes schragen, waarmede de halfronde togen 
zijn versierd, hebben thans geringer hoogte dan oor- 
spronkelijk het geval moet geweest zijn. In hoeverre die 
zuiltjes na inkorting — met hun kapiteelen dezelfde 
zijn, die van den aanvang af de openingen versierden, 
is een punt van studie, dat nog niet tot een eindoplos- 
sing is gekomen. 

Behalve de kern, is het Westelijke voorportaal met 
de daarboven gelegen koningsloge (niet de geveltop) en 
het overige in tufsteen uitgevoerde werk van den zestien- 
hoekigen mantel of buitenmuur oorspronkelijk werk. 
Zooals bij een zoo oud gebouw te verwachten is, komen 
in dit oorspronkelijk werk wijzigingen voor, meerendeels 
herstellingen van vroegeren datum. In de verdieping werd 
het derde venster, links van het uitgebouwde voorportaal, 
eerst in 1906 in den oorspronkelijken vorm vernieuwd. 

Verreweg het grootste deel van den zestienhoekigen 
buitenmuur werd vermoedelijk omstreeks 1400 nieuw 
in baksteenmetselwerk opgetrokken, hetgeen boven de 
oude fundeering geschiedde. Aan den voet van den 
muur ziet men, vooral aan deze zijde, nog eenig tufsteen- 
metselwerk, dat tot den oorspronkelijken buitenmuur 
heeft behoord. 

Met de vernieuwing van den buitenmuur ging ook 
de oorspronkelijke koornis aan de Oostzijde verloren. 
Hier bleef zelfs de fundeering niet gespaard, zoodat 
men omtrent den juisten vorm van die koornis slechts 


33 


gissingen kan maken. De nieuwe koorms, waarvan de 
onderbouw nog bestaat, heeft een veelhoekig grondplan. 
In beide verdiepingen is de rechthoekige met vijf wijdings- 
kruisjes versierde altaarsteen nog bewaard, waarop de 
H. Missen werden opgedragen. De wanden der beide 
altaarnissen waren door drie vensters met spitsboog en 
klaverbladvulhng doorbroken. Men herkent de zijstijlen 
der buitenste vensters in het overgebleven werk. Soort- 
gelijke vensters zijn in de meeste wandvakken van den 
baksteenmantel nog aanwezig; maar zij ontbreken in 
eenige vakken aan de Zuid-Oostzijde. Een dezer ge- 
sloten vakken in de verdieping (het tweede, links van 
de altaarnis) was oudtijds met een opening doorbroken. 
Door deze opening had men gemeenschap met den 
westelijken paleisvleugel, die met een der hoeken tegen 
de kapel aansloot: een terugspringende moet in het 
metselwerk der kapel toont nog de plek, waar de aan- 
sluiting plaats had. 

Van hier langs de altaarnis, naar het Noorden om- 
gaande, bemerkt men, dat het buitenmetselwerk van een 
zeker aantal muurvakken is versierd met horizontale 
banden van tufsteen, terwijl de baksteenen met zorg 
uitgekozen en glad geslepen zijn. Dit rijkere gevelwerk 
loopt dood tegen een vooruitspringend muurpenant aan 
de Noordzijde, waarin een deursponning bewijst, dat 
zich daar ter plaatse tusschen kapel en walmuur een 
poortafsluiting bevond. 

In de verdieping gaf een deur, waarvan de omlijsting 
binnen nog zichtbaar is, over den poortmuur heen, toe- 
gang tot den walmuur. De inrichting stond zonder twijfel 
in verband met de maatregelen, die tot verdediging van 
den Burcht getroffen waren. 

Mede behoorde hiertoe de torenvormige verhooging 
van den achthoekigen kern, in welker buitenmuren schiet- 
gaten en toegangsdeuren zijn aangebracht. 

De galerij, die de kapel omgeeft, is door een bekap- 
ping afgedekt, waarvan de helling, in overeenstemming 
met de bouwwijze van het gothische kunsttijdperk, vrij 
steil is. Daardoor geraakten de vensters, die oorspron- 


34 


.... binnen het gebouw (blz. 35). 

{Karolingische kapel) 

steekt. Blijkbaar werd later geoordeeld, dat vensters hier 
niet mochten ontbreken. Men verlengde daarom de licht- 
openingen naar boven en voorzag ze van spitsboog- 
vormige togen, die eenvoudig in het baksteenmetselwerk 



kelijk tot verlichting van den middenbouw dienden, 
grootendeels onder het dak van den omgang verborgen. 
Ten deele zijn zij van buiten nog herkenbaar in het 
tursteenmetselwerk, dat onmiddellijk boven het dak uit- 


35 


werden uitgekapt en bijgevolg niet door gemetselde 
bogen zijn gevormd. 

Ongeveer ter hoogte van de onderkanten der schiet- 
gaten is een houten zoldering aangebracht, die de acht- 
hoekige binnenruimte naar boven afsluit. Deze zoldering 
neemt nog de plaats in, waar zij bij de reeds boven 
vermelde verbouwing van omstreeks 1400 werd aan- 
gebracht. De draagbalken en vloerplaten zijn in den loop 
der tijden, de Iaatsten zelfs nog in 1906, vernieuwd. 

De achthoekige torenbouw is gedekt met een spits 
dak, dat in den top nog zijn oude kruis met windvaan 
draagt; vermoedehjk is dit het kruis, waarvan in een 
rekenboek van 1397 sprake is. 

De verschillende lichtopeningen der kapel zijn bij de 
restauratie van 1905—1906 van glasdichting voorzien. 
Hierbij is op een bijzondere wijze te werk gegaan. Om 
het n.1. onnoodig te maken om aan de oude verweerde 
raamomhjstingen te breken, werden in de lichtopeningen 
randen of omlijstingen van zwaar roodkoper aangebracht, 
waarvan de buitenomtrek voor elk venster nauwkeurig 
naar den onregelmatigen vorm der aanwezige opening 
werd bepaald, terwijl de binnenomtrek een zuiveren, 
afgewerkten vorm verkreeg, passend bij dien van de 
oorspronkelijke lichtopening. 

Binnen het gebouw zijn de welfschilderingen merkwaar- 
dig, waarvan in beide omgangen nog belangrijke gedeelten 
zijn bewaard. Aan de Zuid-Oost- en aan de Zuidzijde 
vindt men daarenboven nog op de wanden van den be- 
neden omgang eenige geschilderde wijdingskruisen. Deze 
schilderwerken dateeren vermoedelijk uit de 1 5 e eeuw. 

In de latere middeleeuwen was de kapel aan den 
H- Nicolaas gewijd. Herhaaldelijk werd beweerd, dat 
deze Heilige van de stichting der kapel af haar patroon 
is geweest. Hiertegen pleit, dat de vereering van den 
H. Nicolaas eerst in de 12e eeuw in het Westen alge- 
meen werd. Veel waarschijnlijker klinkt de opmerking 
van In de Betou, dat de wijding geschiedde ter eere 
van den Verlosser, al is voor deze bewering geen af- 
doend bewijs voorhanden. 


36 


Wij merken hierbij op, dat er telkens gesproken wordt 
van „verdiepingen”. De kapel bestond n.1. uit twee 
boven elkaar geplaatste afdeelingen, waarvan de bovenste 
zal gediend hebben voor den vorstelijken bezoeker en 
zijn hofhouding, die ook in den burcht zijn verblijven 
op de verdieping had* In den toren hingen oorspronkelijk 
twee klokken, die natuurlijk in latere jaren niet geluid 
werden, toen de kapel als zoodanig geen dienst meer 
deed. Daarom vroegen Lent (1602) en Wychen (1608) 
om een van deze klokken, welk verzoek echter ge- 
weigerd werd. De zwaarste van deze klokken is in 
1672 tijdelijk geplaatst in het torentje boven het koor 
der St. Stevenskerk, maar na de bezetting der stad door 
de Franschen in den toren van Neerbosch opgehangen. 
Het kleinere klokje is een tijdlang verdwenen („ver- 
donckert”) geweest, maar werd in 1674 op den stoep 
van den werkmeester neergezet. Het heeft daarna een 
bestemming gevonden in den toren van Hees. 



Terra-Sigillata kannetje. (Museum Kam ) 
In het medaillon: borstbeeld van Mercurius. 


37 


DE BARBAROSSA-RUÏNE. 

Het Romaansche halfrond, dat aan de Oostzijde van 
het Valkhof hoog te midden van het geboomte oprijst, 
is zonder eenigen twijfel een overblijfsel van de groot- 
sche herstelling, die Keizer Frederik Barbarossa in 1155 
den Burcht liet ondergaan (blz. 1 9). Dat werkelijk een 
herstelling of verbouwing van den Burcht in dien tijd 
heeft plaats gehad, wordt gestaafd door een opschrift- 
steen, die, na vroeger aan een buitenmuur der Groote 
Kerk ingemetseld te zijn geweest, sedert 1670 een plaats 
heeft gevonden in de museumgaleri] van het Nijmeegsche 
Stadhuis. Deze steen is na de inrichting der Mariakerk tot 
museum daarheen overgebracht. Tol welk doel het half- 
rond — dat in twee verdiepingen verdeeld was — heeft 
gediend, is niet met volkomen zekerheid bekend. De meest 
verspreide en meest aannemelijke opvatting ziet in het 
halfrond de koornis of absis van een kerk of paleiskapel. 

Deze zou dan zelfs een dubbelkapel geweest zijn in 
dien zin, dat zij uit twee kapellen boven elkander be- 
stond, die met elkaar in gemeenschap stonden door een 
opening in het gewelf, dat de twee verdiepingen scheidde. 
Overblijfselen van dit, in vakken verdeelde gewelf, ziet 
men langs de binnenzijden der nog aanwezige muren 
in de gedaante van groote bogen, die nu met het muur- 
vlak gelijk afgekapt zijn. Van de zuiltjes, die de gewelven 
ondersteunden zijn de voetstukken of basementen nog 
alle op hun oorspronkelijke plaats aanwezig. Boven twee 
van die basementen verrijzen ook de zuilen, in min of 
meer geschonden staat. Overblijfsels van de ontbrekende 
zuilen liggen bij de „ruïne”, evenals de kapiteelen, die 
ze bekroonden en waarboven de gewelfvelden samen- 
kwamen. Een andere opvatting is, dat de Ruïne niet een 
overblijfsel zou zijn van een gebouw, dat tot kerkelijke 
doeleinden werd gebezigd, maar dat het halfrond tot 
troonnis heeft gediend en dus deel zou hebben uitgemaakt 
van de groote rijkszaal, die in geen keizerpaleis ontbrak. 

Wat hiervan zij en welke opvatting ook de juiste moge 
zijn, de „Ruïne” blijft een hoogst belangrijk overblijfsel 
van den volrijpen Romaanschen bouwstijl van de Rijn- 





Het Romaansche halfrond, dat . . . . temidden van het geboomte oprijst 

(blz. 37) ( Barbarossa-ruïne ) 


39 


streken in de 12e eeuw. Niet onopgemerkt mag blijven, 
dat in dit Romaansche werk fragmenten van ouderen 
datum een plaats hebben gevonden, met name de hoek- 
zuilen met hun kapiteelen, onder de beide voetingen van 
den grooten boog, die het halfronde koepelgewelf naar 
voren afsluit. De zuilen zijn ongetwijfeld van Romeinschen 
oorsprong, getuige de zwelling, die zij op ongeveer een 
derde van de hoogte vertoonen. De kapiteelen daaren- 
tegen, uit marmer gehouwen, zijn typische kunstproducten 
uit den tijd van Karei den Grooten en ongetwijfeld over- 
blijfselen van zijn paleis, waar zij misschien dezelfde 
zuilen hebben gekroond, waarop zij nu nog steunen. Zuilen 
en kapiteelen zijn blijkbaar bij de verbouwing onder 
Frederik Barbarossa nieuw verwerkt, als herinneringen aan 
het werk van zijn grooten voorganger, dat gedeeltelijk door 
hem werd afgebroken. Zeer belangrijk zijn ook de overige 
in antieken geest bewerkte kapiteelen, die binnen het half- 
rond zijn opgesteld. Een daarvan — vermoedelijk van 
Oostersche afkomst — is van wit marmer. Met de beide 
andere en de beide reeds genoemde zijn zij zeldzame verte- 
genwoordigers van de kunst uit het Karolingische tijdperk. 

Aan de Westzijde van het halfrond liggen zuilen en 
andere bouwfragmenten in twee groepen op elkaar 
gestapeld. Meerendeels zullen zij wel van het oude 
keizerpaleis afkomstig zijn, ofschoon enkele onderdeden 
onmiskenbaar tot de Romeinsche kunst behooren. 

In 1910 werd het terrein, dat door het halfrond 
omsloten wordt, ontgraven. Dit terrein en dat, waarop 
de achthoekige kapel staat en dat ten Westen daarvan 
gelegen is, waren bij de slooping in de laatste jaren 
der I8e eeuw, als eigendom der stad onaangeroerd ge- 
bleven. De ontgraving van het halfrond in 1910 heeft 
de overblijfselen uit verschillende der vroegste cultuur- 
perioden aan het licht gebracht. Behalve scherven van 
Romeinsch vaatwerk — voornamelijk van het einde der 
tweede en derde eeuw — die gevonden werden in den 
grond op het zand van den bergheuvel, vond men ook 
vijf skeletten, vermoedelijk van Frankische krijgers, die 
bij een of andere burchtbestorming kunnen gevallen zijn; 


40 



bij twee van deze skeletten lag een zwaard. De grond- 
laag, die de gevallenen bedekte, droeg de kennelijke 
sporen van een geweldigen brand en was rijkelijk ge- 
mengd met stukken van Romeinsche dakpannen, waarvan 
sommige legioenstempels vertoonen. De onderzochte 
aardlaag had een dikte van gemiddeld 1 Meter. Alle 
toen opgedolven voorwerpen werden verzameld en be- 
rusten thans in het gemeentelijk museum van oudheden. 


Muurfragment van de Barbarossa-ruïne (Noordzijde). 


II. 


OUD-NIJMEGEN. 

Wie zooveel belang stellen in het Valkhof als in de 
vorige bladzijden verondersteld wordt, doen dat onge- 
twijfeld ook in de oudere bouwwerken, die in onze 
stad zijn blijven bestaan of waarvan nog overblijfselen 
aanwezig zijn. 

Wij zullen in de volgende bladzijden daaromtrent 
het een en ander in ’t kort aanteekenen. 

DE ST. GEERTRUIDSKAPEL. 

Bij de beschrijving van het Valkhof is o. a. melding 
gemaakt van de St. Geertruidskerk, die de Kerspelkerk 
was en evenals het Valkhof buiten den stadsmuur moet 
gestaan hebben. Als jaar der vermoedelijke stichting 
wordt door Smetius 690 opgegeven ; zekerheid daar- 
omtrent bestaat er niet. Dat parochiekerken buiten de 
eigenlijke stad stonden, is niets ongewoons; misschien 
waren het oorspronkelijk heidensche tempels, die door 
de Christelijke kerk in gebruik waren genomen. 

Deze Kerspelkerk was dan gewijd aan St. Geertruid, 
een heilige uit het geslacht van Karei den Grooten. 
Toen in 1273 de St. Stevenskerk werd ingewijd, is de 
oude St. Geertruidskerk afgebroken ; maar in 1 460 werd 
in de nabijheid de St. Geertruidskapel gebouwd, die 
echter in 1 379 werd opgeruimd, toen de wallen der 
stad versterkt werden ; een gedeelte werd onder den 
aarden wal begraven en kwam in 1880 bij het sloopen 
der vestingwerken weer aan het licht. Men kan die 
overblijfselen zien bij de brug, die naar de Belvédère leidt 
(zie blz. 18 en 19). 

De priester, die de St. Geertruidskapel bediende, 
woonde eertijds in een nu afgesloten slob aan het 
Kelfkensbosch, dat nog lang bekend stond als het 
„P astoorsgasje”, 



Dit gebouw was oorspronkelijk een gewone waltoren .... (blz. 43). {{Belvédère) 



43 


DE BELVÉDÈRE. 

Dit gebouw was oorspronkelijk een gewone waltoren, 
die als Hoendertoren bekend was. Daarom bevonden 
zich daaronder kelders, die nog in 1818 als kruit- 
magazijn gebruikt werden, 

De naam Belvédère wordt toegeschreven aan Parma, 
die het uitzicht daar zoo schoon vond. Die uitheemsche 
naam is bewaard gebleven, al blijkt uit allerlei ge- 
schriften, dat de Nijmegenaars er wel wat mee gesukkeld 
hebben. Betrekkelijk lang is het gebouw als wachthuis 
of voor andere militaire doeleinden gebruikt, althans in 
1747 stond er nog een schildwacht voor het kruit- 
magazijn. 

In 1646 besloot de vroedschap de Belvédère op 
te trekken en boven den tot dien tijd bestaanden toren 
een kamer in te richten, waarboven een plat kwam 
met pilasters. Die hooge verdieping zou dienen als 
„speelhuis” of ontspanningslokaal voor den magistraat 
en diens familie. Dat plan en die verbouwing hebben 
aanleiding gegeven tot menig vroolijk feestelijk samenzijn, 
waarbij, volgens oude zede, de wijn nog al vloeide, 
’t Moet er heerlijk geweest zijn ; Nijmegen had geen 
betere gelegenheid om gasten te ontvangen of te ont- 
halen. Zoo werd in 1677 het gebouw opgeknapt ten 
behoeve vnn de vredesonderhandelaars, die er hun 
zorgen vergaten; aan Willem IV werd er een déjeuner 
aangeboden; in 1831 werd er aan de officieren van 
het garnizoen een feestmaal aangeboden ter eere van 
de overwinning bij Leuven en in 1837 bezocht de 
kroonprinses Anna Paulowna de Belvédère in gezel- 
schap o. a. van Prinses Sophia van Wurtemberg, de 
latere gemalin van Willem III. In 1887 is het ge- 
bouw gerestaureerd en in den tegenwoordigen toe- 
stand gebracht. Het oude wapen aan den toren is 
toen verwijderd en berust nu op het gemeentemuseum ; 
het tegenwoordige wapen is een trouwe nabootsing 
daarvan. 


44 



HET STADHUIS. 

In de nauwe Korte Burchtstraat komt het eerwaardige 
stadhuis met zijn mooien gevel maar zeer onvolkomen 
tot zijn recht. Dat zou meer het geval geweest zijn 
voor 1 552, toen het gebouw nog niet in de rooilijn 


, . . , het eerwaardige stadhuis met zijn mooien gevel (blz. 44) 

( Stadhuis ) 



45 



stond; maar toen ontbrak ook deze gevel met zijn 
beeldhouwwerk. 


.... de stoep met den ingang zijn in 1784 ontstaan (blz. 47) 

( Hoofdingang Stadhuis ) 

Hoogstwaarschijnlijk stond het Raadhuis daar al in 
1395, zelfs reeds vroeger. Maar in 1552 is de voor- 



. treft ons allereerst de eikenhouten schepenbank (blz. 47) ( Vestibule Stadhuis ) 



47 


zaal, de hal, aangebouwd en is de tegenwoordige 
gevel, hoewel niet geheel in dezen vorm, aangebracht ; 
toen zijn ook een deel der beelden en medaillons 
geplaatst, al zijn die later door nieuwe vervangen. 
Oorspronkelijk was het Raadhuis niet diep : de bin- 
nenmuur van de hal was eertijds buitenwand en ook 
aan de achterzijde heeft uitbreiding plaats gehad. 
Herhaalde verbouwingen zijn uitgevoerd in 1605, 1617, 
1628, 1650, 1657, 1661, 1837 en ten slotte in 
1880—1882 onder leiding van Dr. P. J. H. Cuypers. 
Bij die gelegenheid zijn de 4 westelijke vensters aan- 
gebracht, zijn de beelden en de medaillons aan den 
gevel vernieuwd en vermeerderd en is op den hoek 
van de Lange Nieuwstraat het Mariabeeld van Collinet 
geplaatst. Die beelden stellen koningen en keizers 
voor, die aan Nijmegen rechten en vrijheden verleenden, 
en de medaillons boven de vensters, in basreliëf, zijn 
de symbolen van de deugden, die den magistraat 
behoorden te sieren : Hoop, Liefde, Geloof, Moed, 
Voorzichtigheid, Eendracht, Rechtvaardigheid, Waak- 
zaamheid, Lankmoedigheid, Vaderlandsliefde en Stand- 
vastigheid. De laatste vier dateeren ook van de laatste 
verbouwing. 

De stoep met den ingang zijn in 1784 ontstaan ter 
vervanging van een galerij met 6 trappen langs het 
heele gebouw, die tot den tegenwoordigen ingang reikte. 

Het houtwerk en ook de eikenhouten deur zijn van 
Govert of Gaert Kuitenbrouwer uit Dulcken, die ge- 
woonlijk Gaert van Dulcken werd genoemd en wiens 
nagedachtenis voortleeft in de Van Dulckenstraat. Het 
beeldhouwwerk, voorzoover het oorspronkelijk is, is van 
den Utrechtschen beeldhouwer Meester Cornelis Sas. 

Inwendig heeft het Raadhuis, zooals wij reeds op- 
merkten, heel wat verandering ondergaan en verschillende 
zalen zijn in den loop der tijden van bestemming ver- 
anderd. De Raadzaal was tot 1889 zittingszaal van de 
Arrondissementsrechtbank en de ruimte voor de afdeeling 
Index en Archief bergde vroeger het Gemeentemuseum. 

In de vestibule treft ons allereerst de eikenhouten 


48 


Schepenbank met versierselen van fijne houtsoorten, 
een werk van den reeds genoemden Van Dulcken. 



.... antieke schouwen versierd met schoorsteenstukken (blz. 50 ) 

( Trouwzaal ) 

Deze schepenbank stond vroeger tegen de zuidzijde 
van de hal en waar zij nu staat bevond zich een 
schouw, waarvan nog sporen te zien zijn. 


49 


De rug van het gestoelte is verdeeld in vakken, die 
met bogen zijn afgedekt en door Dorische halfzuilen 
gescheiden ; in die vakken ziet men voorstellingen o.a. 
van Salomo’s rechtspraak en de aanklacht der kuische 
Suzanna. Aan den rechtervleugel ziet men Christus 
met het kruis, met vlammend zwaard de banden door- 
snijdend, die den mensch aan de aarde verbinden, 
met het omschrift : Ich eellender mensch waer wirt mich 
erlosen, üon den leub deses todts. Aan den anderen 
vleugel ziet men den Duivel met een geldzak, in een 
menschenhart schrijvend, met het omschrift: Den üiant 
snel schrieft in des mense harte alle hoosheit fel. In het 
midden van het gestoelte leest men : Utramque Partem 
Audite en daar boven prijkt een beeld der gerechtigheid, 
dal echter van lateren datum is. 

Tegenover de schepenbank staat in een nis een 
beeld van Karei V van Meester Daniël Teller. 

Aan den wand een schilderij, voorstellende het 
Nijmeegsch raadsel, dat echter waarschijnlijk niet Nij- 
meegsch is, en een hoogst merkwaardige klok, die in 
1597 vervaardigd werd voor den raadssecretans door 
Johan de Hardt. De wijzerplaat is gemaakt door den 
goudsmid J. Gront. In 1 646 ging deze klok in eigendom 
over aan de stad voor ƒ 300. Daar zij echter niet meer 
in goeden staat was, werd zij hersteld doorjan v. Call, 
die daarvoor ƒ 280 ontving. Aanvankelijk was het een 
hangklok; in 1668 werd het uurwerk in een houten 
torentje geplaatst; het klokkenspel werd in 1738 ver- 
beterd door Gebroeders v. d. Geyn en in 1 890 werd 
de houten kast in den tegenwoordigen vorm gebracht 
door wijlen de heeren H. Leeuw Sr. en Jr. 

Naast de klok is voor een paar jaar een gedenksteen 
aangebracht, die de dankbaarheid van Belgische vluch- 
telingen vertolkt. Daarnaast voert een trap naar boven, 
waarvan de omlijsting is gemaakt naar teekeningen van 
den Nijmeegschen schilder Rutger van Langeveld (1687). 
Maar voor wij die trap opgaan, betreden wij een gang, 
langs de kamer van den Secretaris, die ons naar twee 
grootere vertrekken voert, waarvan het eene de ver- 

3 


50 



gaderzaal van het Dagelijksch Bestuur is en het andere 
de Trouwzaal, met een aangrenzende wachtkamer. 

In die beide zalen zijn de wanden bedekt met kostbare 
Fransche gobelins uit de 1 6 e en 1 7 e eeuw, o. a. voor- 
stellende de sagen van Dido en Aeneas ; in beide 


. . . in den westelijken muur zijn wapenschilden en versierselen 
ingemetseld (blz. 53). ( Gedeputeerden Plaats .) 


51 


vindt men antieke schouwen, versierd met schoorsteen- 
stukken ; in de Trouwzaal een schilderstuk van Stockade, 
dat een zinnebeeldige voorstelling geeft van de ver- 
eeniging der stad met de vereenigde Nederlanden; in 
de kamer van B. en W. een stuk van een onbekenden 
schilder, de overwinning der orde op oproer en verraad. 
In de Trouwzaal vindt men nog een merkwaardige klok 
van ongeveer 1 700. 

Gaan wij nu de trap op, dan zien wij na het eerste 
gedeelte een lange gang; aan het einde daarvan staat 
een kunstig bewerkte kast, die als „de Blok” bekend 
is en vroeger gebruikt werd voor het bewaren van de 
handvesten en privilegiën der stad; de kast is het werk 
van den meer genoemden Gaert van Dulcken. Hooger, 
na de tweede trap treft ons oog een balustrade met 
kunstig snijwerk van Daniël Teller. Aan den wand 
ziet men een schilderstuk van Rutger van Langeveld 
en daartegenover een schilderij van Van Wely, voor- 
stellende de heeren Graadt van Roggen, Terwindt en 
Francken, het driemanschap, dat den uitleg der stad 
na het sloopen der vestingwerken leidde (zie blz. 4). 

Op deze verdieping is verder de Raadzaal, die in 
1889 tot het tegenwoordig gebruik werd ingericht. De 
vensters dragen de wapens van vroegere magistraats- 
personen en aan de wanden ziet men portretten van 
eenige der onderhandelaars bij den vrede van Nijmegen 
in 1678: Van Beverningk en Van Haaren voor de 
Staten; Temple en Jenkins voor Engeland ; d’Estrades 
voor Frankrijk en Bevilaqua voor den Paus. Bovendien 
hangen hier de beeltenis van Prins Willem IV en een 
schilderij van Jan van Goijen, het Valkhof voorstellende. 

De straks genoemde ambassadeursportretten herinneren 
aan het feit, dat in 1 678 de afgezanten voor de vredes- 
onderhandelingen op het Stadhuis samenkwamen ; maar 
de eigenlijke vredesluiting had plaats in een gebouw ter 
plaatse, waar nu de zusterschool in de Burchtstraat staat ; 
de vrede werd afgekondigd van den Kerkboog (zie bl. 57). 

Naast de Raadzaal en daaraan verbonden, bevindt zich 
een kamer, de z.g. Leeskamer, met Vlaamsche gobelins 


Illllllllllltlllllltlllllll lllllllllllllllltllf ftlllllllllllllllllllllllllllllltllllllt llllllltltltl£ 


iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiMiimiiiiiiiiiiiiniii 



53 


en antieke meubelen o.a. een ruimen zetel (trouwstoel). 

De schoorsteenmantel heeft een schilderij die ver- 
moedelijk afkomstig is van Stockade en een voorstelling 
geeft van de verpanding van den Burcht aan Graaf 

Otto II in 1247. 

Weer beneden aangekomen, zouden wij naar de kelders 
kunnen afdalen, die vroeger als gevangenis gebruikt wer- 
den en waar de plaats van de pijnbank nog is aangegeven. 
Liever gaan wij nog een kijkje nemen, door de groote 
poort naast den ingang, op de Gedeputeerden-plaats waar 
o.a. een gebeeldhouwde pomp staat, die oudtijds als 
brandpomp diende. In den westelijken muur zijn wapen- 
schilden en versierselen ingemetseld, die aan de vroegere 
stadspoorten herinneren. Bovendien ziet men er een stuk 
van een gevel, afkomstig van een gebouw tegenover de 
plaats, waar nu de Augustijnenkerk staat ; daaruit is ook 
de schouw afkomstig, in de wachtkamer naast de Trouw- 
zaal, met een tegelversiering, die betrekking heeft op de 
geschiedenis van Adam en Eva en die van ongeveer 
1600 dateert. 



Bronzen schildplaat (Umbo) met Medusakop, gevonden te Blerik. 

( Museum Kam). 


54 


DE WAAG. 

De Waag was van ouds niet anders dan, wat het 
woord aanduidt, een gelegenheid om te wegen. Zoo 
is er al in 1382 sprake van een waag, maar in 1511 
was er zeker al een gebouw, dat dien naam droeg en 
waar allerlei gewogen moest worden, want in particuliere 
huizen of winkels mocht men niet boven de 8 pond 



In 1886 is het gebouw gerestaureerd (blz. 55). (De WaagJ. 


(later 25 pond) gaan. Tegen de oude Waag stond 
het Vleeschhuis, want verbouwing van beide had tegelijk 
plaats in 1 525. Dat Vleeschhuis was natuurlijk bestemd 
voor de slagers, die echter nog al eens verhuizen 
moesten, omdat het Vleeschhuis voor hoofdwacht werd 
gebruikt ; vandaar dat het straatje naast de tegenwoordige 
Waag nog „Achter de Hoofdwacht” heet. Achtereen- 


55 


volgens werden de slagers verwezen naar de kelders 
onder de Latijnsche school (1571), naar de Janskerk 
(1582); weer naar de kelders (1585); naar het koor 
van de Janskerk (1592). Ten deele vielen deze ver- 
anderingen samen met de heerschappij van Protestanten 
of Roomschen. Maar in 1612 werden de oude Waag 
en het Vleeschhuis afgebroken en kwam het tegen- 
woordige gebouw tot stand. Het bovengedeelte van 
het gebouw is in den loop der jaren voor allerlei 
gebruikt : de postmeester, de garnizoenswacht en de 

burgerwacht zijn er gehuisvest geweest. In 1 680 werden 
er kermisvoorstellingen gegeven; in 1763 was er een 
schermschool, in 1794 verbleven er Engelsche krijgs- 
gevangenen. In latere jaren was er het hoofdbureau van 
politie en tegenwoordig heeft de vereeniging „In Consten 
Een” er haar oefenings- en tentoonstellingsvertrekken 
en wordt een gedeelte gebruikt door den Armenraad. 

Na 1612 was het westelijk deel Vleeschhal en 
het oostelijke Waag. De Vleeschhal is tot 1797 in 
gebruik gebleven, na dien tijd slachtten de slagers aan 
huis totdat het Slachthuis buiten de Nieuwe Hezelpoort 
in gebruik genomen werd. 

Het benedengedeelte van de Waag is lang gebruikt 
als boter- en eiermarkt. De laatste is verplaatst naar 
het pleintje aan de Burchtstraat, maar de botermarkt 
is in het Waaggebouw gebleven. 

In 1886 is het gebouw gerestaureerd en is de trap 
hersteld in den vorm, die door een teekening van 1732 
werd aangegeven. 

DE KERKBOOG. 

De Kerkboog vormt den toegang tot de St. Stevens- 
kerk en het daarom heen liggende St. Stevenskerkhof. 
Denkelijk is die toegang er geweest sedert de stichting 
van de kerk; in elk geval is er in 1480 sprake van 
een gang onder het Gewandhuis (Lakenhal), waarvan 
de gevel doorliep, maar dat in 1531 werd verbouwd. 
Waarschijnlijk is toen ook de middenzuil aangebracht, 


56 



.... toegang tot den St. Stevenskerk. (blz. 55). 

fKerkboogJ. 


die den ingang 
aan de Markt ver- 
deelt. Den tegen- 
woordigen vorm 
kreeg de Kerk- 
boog in 1605 — 
1607. Intusschen 
was het Gewand- 
huis al verdwenen 
en was de boog 
met de kamer 
daarboven sedert 
1551 een afzon- 
derlijk gebouw. 

De kamer bo- 
ven de boog, die 
men bereikt langs 
een trap in een 
toren, welke ook 
van 1 607 dateert, 
heeft voor velerlei 
dienst gedaan. In 
de 16e eeuw 
woonde daar de 
kasteleines, die 
zorg droeg voor 
de vergaderingen 
en smulpartijen 
op het Gewand- 
huis. Na de ver- 
bouwing van 

1605-1607 was 

er de snijkamer 
van het chirur- 
gijnsgilde, dat in 

1679 het recht 
kreeg om op de 
deur te zetten : 
„Collegium chi- 


57 



rurgicum”. Daar werden ook de examens voor 
chirurgijn-barbier afgenomen. Vóór den Kerkboog 
hadden ook de lijfstraffelijke rechtsplegingen plaats, 
waarop de leden van het chirurgijnsgilde van uit dit 
hoog verblijf toezagen met hun huisgenooten en vrien- 
den ; maar dit werd in 1752 verboden. 

In 1630 waren er soldaten ingekwartierd en in 1 677 
was er een lange vrouw te zien, wat samenvalt met 
de kermisvermakelijkheden boven de Waag. Ook werd 
er nu en dan muziek gemaakt voor het volk, o.a. psalmen. 

Van de kamer boven den Kerkboog werden de 
vredes van 1648—1654—1678 en 1697 afgekondigd. 
In 1830 was er het genootschap „Oefening kweekt 
kunst” gevestigd, waarvan de leden er o.a. teekenden 
naar het levend model. 

In 1885 is het gebouw gerestaureerd en heeft het 
den vorm gekregen, die het nu heeft. Op de veel 
besproken kamer vergadert nu de gezondheidscommissie. 


Gezicht van uit den Kerkboog op de Groote Markt. 




58 


DE ST. STEVENSKERK. 

Toen wij hiervoor de geschiedenis van den Burcht 
volgden, hebben wij reeds vermeld, dat na de ver- 
panding van Nijmegen aan het Geldersche huis verlof 
werd gegeven om de Kerspelkerk, de Geertruidskapel, 



.... o.a. het zeer geschonden maar toch nog forsche hoofd 
portaal (blz. 59). (St. Stevenskerk met het Stevenskerkhof). 

die buiten de muren stond te vervangen door een 
andere, binnen de stad. Die nieuwe Kerspelkerk werd 
aan St. Stephanus opgedragen, waarschijnlijk ter eere 
van de voornaamste reliquie, die aan de kerk toebe- 
hoorde en werd in 1272 ingewijd door Albertus 
Magnus, wijbisschop van Keulen. 



59 


Van dien oorspronkelijken bouw is weinig over- 
gebleven. Herhaaldelijk is de kerk uitgebreid, vergroot 
en verfraaid, zoodat zij in de 16 e eeuw 30 altaren, 
2 orgels en geschilderde glazen had. 

Het hooge koor (Presbyterium) en de 7 kapellen 
aan het Oosteinde dateeren van de eerste helft der 
1 5 e eeuw. Het dwarsschip is van omstreeks 1 350 en 
in den noordelijken kruisarm is nog een vertrek, dat 
aanvankelijk sacristie was, maar na 1427 diende tot 
bewaarplaats van oude archiefstukken, die er na 1 563 
geborgen werden in de kast van Gaert van Dulcken, 
die wij op het stadhuis ontmoet hebben, maar die in 
1849 naar haar tegenwoordig verblijf werd overgebracht. 

Ook de gewelven zijn veranderd. De steenen koor- 
banken zijn nog ten deele aanwezig ; aan de noordzijde 
van het dwarsschip ziet men nog in bas-relief de 
Aanbidding der Wijzen; maar ontzaglijk veel, dat 
waard was geweest behouden te blijven, is vernield, 
geschonden of onkenbaar gemaakt in de troebele tijden 
van het laatst der 1 6 e eeuw. Tot tweemaal toe is 
daar gebeeldslormd, in 1 566 en in 1578. Van 1578 tot 
1585 was de kerk in gebruik bij de Protestanten en 
later van 1591 tot 1672, toen tijdens de bezetting 
door de Franschen de Roomsch-Katholieken er weer 
hun godsdienstoefeningen hielden. Na 1674 is echter 
de kerk in Protestantsche handen gebleven. In die 
troebeltijden is er veel vernietigd en zijn ook de muur- 
schilderingen onder witkalk verdwenen. In vele op- 
zichten, vooral ook uitwendig roept het gebouw om 
herstel o.a. het zeer geschonden, maar toch nog forsche 
hoofdportaal, 

De preekstoel is van 1 639 en vervaardigd door 
Joost Jacobs, kistenmaker uit Amsterdam ; de trap er 
van is van later dagteekening. Uit ongeveer denzelfden tijd 
stamt het doophek, dat even als het „Heerengestoelte” 
door Cornelis Hermansz Schaeff is gemaakt, het laatste 
naar teekeningen van den bovengenoemden Joost Jacobs. 
Het zoogenaamd Prinsengestoelte is van 1771. 

Het Orgel, een kunstwerk, dat echter nu herstelling 



• • • • de preekstoel is van 1639 en vervaardigd door Joost Jacobs (blz. 59). 

( Interieur St. Stevenskerk). 


61 


noodig heeft, is in 1770 — 1 776 geleverd door Ludwig 
König. Maar het beeldhouwwerk daarvan is Neder- 
landsch fabrikaat en het werk van Jan Keerberger uit 
Rotterdam. Opmerking verdienen nog de koperen licht- 
kronen, die door de gilden aan de kerk geschonken zijn. 

Dat er vanouds ook in de kerk begraven werd, 
spreekt van zelf. Het meest in 't oog vallende gedenk- 
teeken is dat van Anna Catharina van Bourbon, 
gemalin van hertog Adolf van Gelder die op den 
Burcht overleed. Het grafmonument werd vervaardigd 
door Willem Laemans te Keulen in 1512. Een ge- 
beeldhouwde vrouwenfiguur dekt het monument met de 
wapens van Gelder en Bourbon en het opschrift: 

In ’t jaer unsers Heeren 1469 up den 21 dach 
in den May starff die hoichgebore durchluchtige 
vermogende furstynne, vrouwe Katharina van 
Burbon, hertochynne van Gelre en Gulick, Gre- 
vynne van Zutphen. Bit vur die sele. 

Op de vier zijden van het monument zijn de kwar- 
tieren der hertogin aangebracht en de apostelen met 
de woorden : ;,Ora pro nobis”. Op de beide smalle 
zijden staan aan de eene zijde twee bedelmonniken 
met een kaars en aan de andere twee met een 
rozenkrans en een geopend boek met de woorden : 
„Requiescat in pace, Amen”. 

In het zelfde graf is in 1759 begraven Ludwig 
Friedrich Wilhelm van Saksen— Hildburghausen, in 
leven gouverneur van Nijmegen. 

Verder zijn in de kerk begraven Adolf van Nassau — 
Siegen ; Lambert Charles, een der helden van het 
turfschip van Breda ; Maarten Schenck, Lambert Goris, 
de beide Smetiussen, Joh. In de Betou ; aan den wand 
van het koor zijn twee koperen platen aangebracht, 
die de graven gedekt hebben van Thomas Buijs, deken 
en kanunnik der kerk (1510) en Jacob Leeuwens, 
burgemeester van Nijmegen (1665) en diens vrouw 
Sibilla van der Lijnden. 

De toren van de kerk is in 1 326 voltooid maar 


62 



heeft heel wat ondervonden. In 1429 brandde hij af; 
in 1 566 werd hij door den bliksem getroffen ; toen 
werd de spits er op gebouwd, maar in het beleg van 1 591 

leed hij zeer door 
de beschieting der 
stad. Het beneden- 
gedeelte was spoe- 
dig hersteld, maar 
de bovenbouw is 
eerst in 1605 ge- 
reed gekomen, zoo- 
als die nu is. Het 
uurwerk in den 
toren is van Karei 
Christoppel Tappé 
van Amsterdam, 
terwijl het klokken- 
spel, dat zich o.a. 
op Maandag doet 
hooren, grooten- 
deels afkomstig is 
van de gebroeders 
Pieter en Matthijs 
van der Gheijn, die 
ook, zooals wij 
reeds zeiden, het 
speelwerk in de klok 
in het stadhuis ver- 
nieuwden. Sedert 
1 59 1 luidt’savonds 
van half negen tot 

.... steile trappen afdalen fblz. 62) ne § en de ZOOge- 
fj Kerktrappen) naamde „boeven- 
klok”, ten teeken, 

dat het, althans vroeger, om dien tijd niet meer veilig op 
straat was. Aan één zijde wordt het kerkgebouw begrensd 
door een nauw straatje, tot het St. Stevenskerkhof behoo- 
rend, terwijl van het meer open gedeelte van het plein 
steile trappen afdalen naar het lagere gedeelte der stad. 


63 


DE APOSTOLISCHE OF LATIJNSCHE SCHOOL. 

Tegenover den hoofdingang der St. Stevenskerk 
staat het rampzalig overschot van de Apostolische of 
Latijnsche School. 

Op de algemeene conciliën te Rome in de 1 1 e en 
1 2 e eeuw werd aan de geestelijkheid de verplichting 



opgelegd om bij elke kathedraal of andere kerk, die 
over voldoende middelen beschikte een meester aan 
te stellen, die den clerici der kerk en anderen gratis 
onderwijs moest geven. Waarschijnlijk is dus, dat reeds 
dadelijk bij den bouw van de St. Stevenskerk (1273) 
een School werd gesticht, die tevens woning zou zijn 
voor den pastoor. De St. Stevenskerk is nooit rijk 
geweest en voor deze school sprong de Apostelkerk 
te Keulen bij, wat dan tevens een verklaring is voor 


64 


den naam van „Apostolische School”. In 1397 bestond 
zij zeker; in 1420 waren echter al groote herstellingen 
noodig en in 1 544 werd zij verbouwd in den onge- 
schonden staat van den tegenwoordigen vorm. Hel 
moet toen een prachtig gebouw geweest zijn met de 
beelden der 1 2 Apostelen in den gevel (waarvan niet 
veel is overgebleven) en boven in den gevel een bas- 
reliëf, het Laatste Oordeel voorstellende. Het was 
gekroond door een toren met uurwerk. 

Het beheer en het onderhoud was al vroeg over- 
gegaan aan de stad, maar de kapittelheeren, kerk- 
meesteren en rector bleven de autoriteiten. De School 
bleef ook daarna parochieschool en tot de leerlingen 
behoorden ook de koristen van de kerk. Ook na de 
Hervorming werd er nog zang onderwezen door den 
organist der Groote Kerk. 

Onder de School waren kelders, die in den loop 
der tijden voor allerlei doeleinden gebruikt zijn. Zoo 
werden zij in 1420 verhuurd aan neringdoenden; in 
1573 waren zij het vleeschhuis (zie bij de Waag); 
in 1 593 werden er steenen gehouwen voor den opbouw 
van den afgeschoten toren. Het gebouw is een tijdlang 
corps de garde voor ruiters geweest. In 1809 waren 
de kelders bij een wijnkooper in gebruik en de zolders 
zijn gebezigd als bergplaats voor den roggevoorraad 
der stad. Nu en dan werden er in het gebouw ver- 
gaderingen gehouden van het St. Nicolaasgilde, bij 
welke gelegenheden het er vrij rumoerig toeging, want 
onze voorouders deden de kan en de kroes alle eer 
aan, wanneer zij in feestelijke stemming waren. Her- 
haaldelijk werden er militairen ingekwartierd, al naar 
het viel Nederlanders of Spanjaarden en dit heeft 
zeker ook niet bijgedragen tot de ongeschonden be- 
waring van het gebouw. Nog is het militair hospitaal 
geweest ( 1 635) en in 1772 werden er concerten gegeven. 

Omstreeks 1840 verkeerde het in kwijnenden toe- 
stand (wat niet te verwonderen was). Toen werd het 
kort daarna ingericht tot stedelijk gymnasium, als hoe- 
danig het heeft dienst gedaan van 1842 tot 1881, 


65 


toen het tegenwoordige gymnasium betrokken werd. 
Tegenwoordig is in het gebouw de Arbeidsbeurs geves- 
tigd. Uitwendig is het een beeld van verval en oplapperij. 

HET ST. JANSKLOOSTER. 

Ter zijde van de Waag komt men langs de Kannen- 
markt op de Korenmarkt, waar min of meer verborgen 
de Fransche kerk staat. Dat is een overblijfsel van de 
commanderie en het klooster en hospitaal der broeders 
van St. Jan, die daar al in *t laatst der 1 2 e eeuw 
gevestigd waren. Die commanderie verkreeg vele schen- 
kingen en beschikte o.a. over de geheele ruimte van 
de tegenwoordige Korenmarkt. Nu nog hebben de 
gebouwen, waartoe een poort toegang geeft, een klooster- 
achtig aanzien. 

Hoewel de verhouding tusschen het klooster en den 
stadsmagistraat niet te wenschen overliet, moesten de 
broeders in 1 566 hun kerk afstaan aan de Protes- 
tanten en moesten zij bijdragen voor het onderhoud 
der predikanten en armen. 

In 1 638 heeft de Raad het geheele complex ge- 
annexeerd ; de zaal werd aangewezen voor Fransche 
kerk en het klooster is nu nog woning van den predikant, 
althans ten deele. De St. Janskerk heeft op de Koren- 
markt gestaan. 

De gebouwen hebben, als zoovele, verschillende 
bestemming gehad. In 1633 werd er ook Engelsche 
kerk gehouden en meermalen vergaderden er de gilden. 

Merkwaardig is ook, dat er eenigen tijd de Illustre 
School was gevestigd, die als concurrente optrad van 
de Hoogeschool te Harderwijk. Dat is vrijwel een 
mislukking geweest. Lambert Goris en Joh. Smetius 
hadden zeer voor die Illustre school geijverd en in 
1655 na beider dood werd zij geopend in het St. Jans- 
ordenshuis. De tegenwoordige preekstoel in de Fransche 
kerk is het professoraal gestoelte van die hoogere onder- 
wijsinrichting. De promotiën hadden plaats in de Groote 
kerk, maar werden buitenaf niet erkend. 


66 


De stad had vrijdom van bier- en wijnaccijns voor 
professoren en studenten toegestaan en het schijnt, dat 
de laatsten nog al een rumoerig volkje waren, althans 
er gingen patrouilles door de stad om hun baldadig- 
heden te beteugelen en de burggraaf vroeg verlof om 
met scherp op de misdrijvers te schieten, terwijl het 
torentje op het gebouw als carcer werd ingericht. Lang 
heeft de pret of de onvrede niet geduurd, want in 
1678 heeft de laatste promotie plaats gehad. 



Nu nog hebben de gebouwen.... een kloosterachtig 

aanzien (blz. 65). (Fransche kerk). 




67 


HET WEESHUIS. 



Bij testament van 1 554 bepaalde de weduwe Christina 
of Stijn Buijs, dat haar bezittingen na haar dood moesten 
besteed worden voor een inrichting, waarin kleine, arme 

en verlaten kin- 
deren van beide 
geslachten zou- 
den worden op- 
gevoed. Zij 
stierf in 1557, 

maar liet niet 
genoeg na om 
ten volle aan 
haar opdracht 
te voldoen. Met 
hulp van de 
stad en van het- 
geen particulie- 
ren bijdroegen 

kon in 1 560 het 

weeshuis ge- 
opend worden 
met zes jongens 
en zes meisjes 
in een pand in 
de Broerstraat 
tegenover de 
Korte Nieuw- 
straat. Maar 
spoedig werd 
het te klein en 
men kreeg nu 
de beschikking 
over een pand in de Begijnengas (1562), waaraan in 
1645 uitbreiding werd gegeven, doordat het naastlig- 
gende huis, waar vroeger burgemeester Van Welderen 
had gewoond, er bij getrokken werd. Bij deze laatste 
verbouwing werd ook de poort gebouwd, die nu nog 


.... toegang geeft tot het Weeshuis (blz. 68). 

( Ingang ‘Prot. Weeshuis ). 


68 


toegang geeft tot het Weeshuis. Aan die poort is een 
basreliëf aangebracht, voorstellende weeskinderen in 
aanbidding van den Heiligen Geest, het zinnebeeld 
der Barmhartigheid. De jongens vertoonen de kleeding 
van de 1 6 e eeuw, de twee beelden er naast die van 
de 1 7e eeuw. 

In 1 796 werd scheiding bevolen tusschen protes- 
tantsche en roomsche kinderen. Die scheiding kwam 
definitief tot stand in 1818, hoewel reeds sedert 1662 
er van twee weeshuizen sprake is. Het tegenwoordige 
R. K. Weeshuis, dat vanouds Arme-kinderenhuis heette 
was al eeuwen lang gevestigd in onderdeden en be- 
lendende gebouwen van het klooster aan den Hessenberg, 
ingang Doddendaal. Het is hier niet de plaats de ge- 
schiedenis der Weeshuizen uitvoerig te behandelen. De 
beide Weeshuizen staan onder het beheer van een college 
van regenten, dat voor de helft (4) uit Protestanten 
en voor de wederhelft uit Roomsch-Katholieken bestaat. 



Bronzen schenkkannetje met bijbehoorende schaal. 

('Museum Kam). 


69 


MARIËNBURG. 

Tegenwoordig draagt het plein, waarop Lange Koning- 
straat, Houtmarkt en Staringstraat uitkomen, en dat een 
verbinding heeft met de Hersteeg of Hertogstraat, dien 
naam. Vanouds was het de naam van een klooster 
dat daar stond en dat als zoodanig het eerst bekend 
is in 1265. Van de gebouwen is alleen de kerk over- 
gebleven en die is waarschijnlijk de opvolgster van de 
oorspronkelijke ; zij is in elk geval uit de 1 5 e eeuw. 

Aanvankelijk stond het klooster buiten de stad, die 
toen begrensd werd o.a. door de Oude Stadsgracht; 
bij den uitleg der stad in 1467 kwam het binnen den 
wal te liggen. 

Toen in 1580 Nijmegen zich aangesloten had bij 
de Unie van Utrecht moesten de kloosternonnen alles, 
wat zij hadden, indienen ; de godsdienstoefeningen 
werden verboden, maar zij mochten er levenslang blijven 
wonen en konden dus uitsterven. 

Al spoedig werden de gebouwen voor militaire 
doeleinden gebruikt: in 1581 waren in het klooster 
krijgslieden ingekwartierd en in 1 582 werd in het 
bakhuis een kruitmolen ingericht, zeer tot last van de 
overgebleven bewoonsters, die bovendien geprest werden 
om diensten te bewijzen ten behoeve van de verdediging 
der stad ; zoo maakten zij o.a. pekkransen. 

In 1 585 viel Nijmegen van de Unie af. De nonnen 
kregen haar vroeger bezit terug en de andere bewoners 
van het klooster werden gedwongen dit te verlaten. 
Rijk was het klooster niet; althans het kreeg steun 
van de stad. 

Met de reductie in 1591 veranderde de toestand 
weer en in 1601 waren er nog maar 2 nonnen over, 
waarvan de laatste in 1624 stierf. 

De gebouwen werden daarna voor allerlei doeleinden 
gebruikt, in ’t eerst hoofdzakelijk voor militaire; zij 
waren achtereenvolgens kruitmagazijn en hospitaal voor 
zieke soldaten. Ook werden gedeelten verhuurd aan 
handwerkslieden, (o.a. waren er lakenwevers gevestigd) 


70 


of werden gebruikt als bergplaats voor materialen. 

Het kruitmagazijn is er gebleven tot aan de opheffing 
der vesting en van de militaire gebouwen is niets meer 
overgebleven dan het arsenaal, dat echter eerst in 1824 
gebouwd is. 

Mariënburg was een zeer uitgestrekt terrein, wat te 
verklaren was, doordat het oorspronkelijk buiten de 
vesting lag ; het omvatte behalve de gebouwen en de 
kerk een kerkhof, bleekveld, tuin en boomgaard. Toen 
de kerk van Mariënburg niet meer als zoodanig werd 
gebruikt en het dus geen gewijde plaats meer was, 
werd er zelden meer begraven; het laatst in 1635, 
toen op het z.g. „verloren kerkhof” 7 1 3 Fransche sol- 
daten, die aan besmettelijke ziekten waren gestorven, 
er een laatste rustplaats vonden. 

Van omstreeks 1840 tot 1887 was op Mariënburg 
nog een diaconesseninrichting gevestigd. 

Zooals wij reeds opmerkten is van het geheele 
gebouwen-complex niets meer over dan de 


MARIAKERK 


waarin het Museum gevestigd is. Mariakerk is een 
onjuiste benaming voor dit gebouw; men heeft nooit 
geweten aan welken heilige deze kerk gewijd was en 
zij heette vanouds dan ook de Mariënburgsche kerk. 

De laatste mis in de kerk heeft plaats gehad in 
October 1591 en sedert dien tijd heeft zij allerlei 
lotgevallen gehad. Behalve als hospitaal voor zieke 
soldaten heeft het gebouw gediend voor tooneelvoor- 
stellingen ; als opslagplaats voor stadsgoederen o. a. ook 
als turfschuur. In 1672 treft men er weer krijgsvolk 
aan; in 1676 had de Nijmeegsche schilder Rutger 
van Langeveld er zijn werkplaats; bij de vredesonder- 
handelingen werden er comedievoorstellingen gegeven; 
in 1725 was zij schermschool, in 1781 stadsmuziek- 
zaal, in 1794 hospitaal; van 1816 — 1843 was er een 
katoen- en garenspinnerij gevestigd. Daarna was zij weer 




71 



kazerne en magazijn van kleeding o.a. voor de schutterij. 
ifcL Het klooster stond in zijn tijd aan de Zuidwestzijde 
tegen de kerk. Deze laatste vertoont groote overeen- 
komst met de kloosterkerk van Altenbergen bij Wetglaz, 


.... de Mariakerk, waarin het Museum gevestigd is. (blz. 70). 

( Mariakerk). 

zoodat zij als een copie van deze laatste aan te 
merken is. 

De bouwstijl en de inrichting hebben de kerk, toen 
de andere gebouwen gesloopt werden, tegen afbraak 
behoed ; ongetwijfeld is dit voor een groot gedeelte te 
danken aan de belangstelling o. a. van Dr. Cuijpers 
en Victor de Stuers. De eerste gaf in 1900 in een 


72 


verslag aan den Minister van Binnenlandsche Zaken 
de volgende beschrijving er van: 

„De kapel van het klooster Mariënburg is een lang- 
werpig gebouw met een lengte van ruim 30 M. op 
een breedte van nagenoeg 9 M, en bestaat uit zes 
travees of boogvakken, in de lengte afgesloten door 
een vijfhoekig koor. Het geheele gebouw, dat met 
kruisgewelven overdekt is, heeft een hoogte, onder de 
gewelfkappen, van nagenoeg 1 5 M. Het westelijk 
gedeelte der kapel is, ter lengte van 4 boogstellingen 
en ter geheele breedte door een benedenverdieping 
(emporen) in 3 beuken verdeeld door 2 rijen ronde 
kolommen in bergsteen, welke de kruisgewelven, die 
4 M. hoog zijn, dragen. 

Dit gedeelte, dat met de vloeren van het vroegere 
klooster overeenstemde, diende tot choor van de klooster- 
vrouwen. Een gemetselde trap, gesloten in een vierkanten 
traptoren, gaf uit de kapel toegang tot de verdieping 
of het galerij-choor der zusters, en leidde verder tot 
boven de gewelven onder de kap der kapel.” 

Het was dus, wat men noemt, een dubbele kerk. 
Beneden, in het presbyterium, ter rechter- en linkerzijde 
van het altaar, stonden de koorstoelen, waarin de 
kanunnikessen plaats namen, terwijl de zusters, novices 
en andere, op de bovenverdieping de diensten bij- 
woonden. Het achterste gedeelte der benedenkerk was 
toegankelijk voor het publiek. 

Daar deze bouw betrekkelijk zeldzaam is, ook in 
het buitenland, stelde men er prijs op het gebouw 
te behouden, toen alle bij Mariënburg behoorende 
gebouwen werden afgebroken. 

De Raad heeft later besloten het Gemeentelijk 
Museum uit het Stadhuis daarheen over te brengen en 
in het oude gebouw de daarvoor noodige veranderingen 
aan te brengen. Of alles wat tot de merkwaardigheid 
van het gebouw behoorde, daardoor ongeschonden 
bewaard is gebleven, is twijfelachtig. 

En zoo heeft dan eindelijk de Mariënburgsche kerk 
een min of meer vaste bestemming, die van 


73 


MUSEUM. 


Het gaat niet aan, om in een zoo kort bestek, als ons 
is toegestaan, een eenigszins volledig beeld te geven van 
de bijzonder rijke verzameling, die hier is bijeengebracht. 



Dit alles bevindt zich in de benedenverdieping, (blz. 74). 

( Gemeente-museum). 

4 



74 


Zooals reeds bij onze beschouwingen over het Valkhof 
en den Burcht is gezegd, hebben in oude tijden de 
Romeinen hier een vast verblijf gehad en t is haast 
natuurlijk, dat de bodem vele sporen van dat verblijf 
bevatte. Bij het bewerken van den grond, bij het aan- 
leggen van straten en wegen, bij den bouw van woningen 

en bij andere gelegenheden 
— wij herinneren o.a. aan 
de opgravingen van Dr. Hol- 
werda — zijn allerlei voor- 
werpen aan het licht ge- 
komen : gedenksteenen, 

sarcophagen, gebruiksartike- 
len, aardewerk, munten, 
glaswerk. Ten deele is dat 
verzameld in het Gemeente- 
museum. De schatten wor- 
den bewaard onder toezicht 
van een door den Raad 
aangewezen commissie, die 
op *t oogenblik bestaat uit 
de heeren Mr. Bijleveld, 
G. M. Kam en Mr. Hütschler. 

Ontelbaar zijn de voor- 
werpen van aardewerk uit 
den Romeinschen tijd, die 
hier bijeengebracht zijn, daar- 
naast grootere stukken van 
historische of cultuur-histo- 
rische waarde. Dit alles 
bevindt zich in de beneden- 
verdieping en de amanuensis is in staat om den 
belangstellenden bezoeker inlichtingen te geven. Hooger 
in *t gebouw bevinden zich de voorwerpen, die aan de 
Middeleeuwen herinneren en merkwaardig is o.a. de 
verzameling, die op het gildewezen betrekking heeft. 
Niet minder belangrijk is de collectie munten uit alle 
tijdperken der geschiedenis en tal van voorwerpen, die 
betrekking hebben op de vroegere en latere geschiedenis 



Romeinsch fleschje in druiven- 
trosvorm. (Museum Kam). 


75 


van Nijmegen, op feesten, op de lijfstraffelijke rechts- 
pleging, op vereenigings- en huishoudelijk leven. 

In het museum is bovendien ondergebracht een uiterst 
rijke verzameling van ethnografica, bijeengebracht en aan 
de stad geschonken door wijlen den heer J, L. H. 
Beijens ; zij hebben betrekking op den Oostindischen 
Archipel en Afrika. Jammer dat de ruimte ontbreekt 
om deze voorwerpen op de meest passende wijze ten 
toon te stellen, ’t Is te hopen, dat er een weg gevonden 
zal worden om wat hier ongeordend ligt, op waardige 
wijze te ordenen en dat dan een deskundige daarmee 
belast wordt, die bekend is met de gebruiken der 
stammen, wier levenswijze hier in de collectie voor- 
werpen wordt aangegeven. 

Dit staat vast, dat het Museumgebouw te weinig 
ruimte biedt om alles naar waarde ten toon te kunnen 
stellen. 



Gladiatoren-Beker. 

(Museum Kam). 





77 


HET RIJKSMUSEUM KAM. 

De heer G. M. Kam had zich reeds eenige jaren 
uit zaken teruggetrokken, toen hij zich in 1897 om 
gezondheidsredenen te Nijmegen vestigde. Zin voor 
kunst en wetenschap had hij steeds gehad. 

Toen hij nog maar kort te Nijmegen woonde, werd 
hem door den eigenaar van een nabij zijn woning 
gelegen terrein een Romeinsch potje gebracht, dat in 
dat terrein was gevonden. Op dit eerste stuk volgden 
andere; en ook degenen, die op andere plaatsen in 
den omtrek wat vonden, brachten dat bij den heer 
Kam. Diens liefhebberij en belangstelling groeide, naar- 
mate meer voorwerpen werden aangeboden. Die eerste, 
schijnbaar waardelooze vondsten werden de grondslag 
voor een der grootste en belangwekkendste verzame- 
lingen van Romeinsche en middeleeuwsche oudheden, 
die in West- en Midden-Europa bestaan. Bij opgra- 
vingen bij het Hunerpark, naast en achter den Kopschen 
Hof en de terreinen, die daartusschen liggen, bij het 
voorbereiden van bouwwerken, het planten van boomen, 
het aanleggen van riool- en andere buizennetten kwamen 
telkens nieuwe voorwerpen uit de oudheid aan het licht. 

De zeer zeldzame collectie was tot voor korten tijd 
ondergebracht in een gebouw achter de villa „Erica” 
aan den Berg-en-Dalschen weg, maar is sedert over- 
gebracht naar het nieuw gestichte museumgebouw aan 
de Eleonorastraat, die herdoopt werd in Museum-Kam- 
straat, op een gedeelte van het terrein, waar de 
voorwerpen gevonden zijn, die den stoot hebben gegeven 
tot de verzameling. 

In 1908 — de heer Kam is geboren in 1836 — 
werd door den eigenaar van de collectiën een beslis- 
sende stap gedaan om deze ongeschonden te doen 
behouden in geval van overlijden van den bejaarden 
verzamelaar. Toen werd bij notariëele acte de ver- 
zameling aan het Rijk toegezegd. Echter bleek al spoedig 
verschil van gevoelen. Was het Rijk eigenaar, dan 
bestond er kans, dat de verzameling eenmaal naar 



Tegenover den ingang verrijst een monumentale trap (blz. 83). 

(In t Rijksmuseum-KamJ. 



79 


Leiden zou verhuizen en dan was het zeer onzeker, 
of zij als zelfstandige verzameling zou blijven voort- 
bestaan en of niet een deel er van, voorwerpen, waarvan 
er verscheidene waren, meer zou worden opgeborgen 
dan tentoongesteld. Voor den verzamelaar en ook voor 
Nijmegen was het gewenscht, dat de collectiën bleven, 
waar zij gevonden of bijeengebracht waren. Toen heeft 
de heer Kam een kloek besluit genomen, een besluit, 
dat getuigenis aflegde van zijn liefde voor het resultaat 
van zijn werk der latere jaren, maar ook van zijn buiten- 
gewone vrijgevigheid. Op 27 Juni 1 9 1 9 werd een akte 
gepasseerd, waarbij de heer Kam aan het Rijk over- 
droeg een geheel op zijn kosten te bouwen en in te 
richten museum, waarin de bijeengebrachte voorwerpen 
zouden worden bewaard onder toezicht van een door 
de Regeering aan te wijzen directeur. Dat deze vor- 
stelijke gift door de Regeering zeer op prijs werd gesteld 
is op verschillende wijzen gebleken. Door dit besluit 
werd een einde gemaakt aan de pogingen, die van 
Leiden uitgingen om daar de beschikking te krijgen 
over de verzamelingen. 

Die verzamelingen bestaan uit eenige duizenden, 
misschien tienduizenden voorwerpen, die tezamen in 
staat zijn een overzicht te geven van de Romeinsche 
cultuur, want zij bevatten niet alleen gewone gebruiks- 
en weeldeartikelen uit verschillende tijdperken van de 
Romeinsche geschiedenis, maar ook allerlei gereed- 
schappen, wapenen, heelkundige instrumenten, en merk- 
waardig is o.a. de uitgebreide collectie glaswerk en 
gespen en voorwerpen in brons ; niet minder aandacht 
verdienen de fossielen, die hier bijeengebracht zijn; 
de verzameling aardewerk is verbazend uitgebreid en 
van groote verscheidenheid. Behalve deze Romeinsche 
antiquiteiten zijn ook vele Middeleeuwsche merkwaardig- 
heden voorhanden, want ieder, die iets vond, dat uit 
oudheidkundig oogpunt de aandacht trok, wendde zich 
allereerst tot den heer Kam, die, gelukkig, ook de 
middelen bezit, om te betalen, wat niet gratis kan 
worden afgestaan. Hoogst merkwaardig is ook de 



81 


verzameling munten uit verschillende tijdperken der 
geschiedenis. 

Nu eenmaal het nieuwe, kostbare museum betrokken 
is, is het mogelijk, dat daar ook worden ondergebracht 
de Romeinsche oudheden uit het Gemeentelijk Museum 



merkwaardig is ook de verzameling munten (blz. 81 ). 

(In ’t l^ijksmuseum-Kam ) . 


en dat daarentegen het „middeleeuwsch” van den heer 
Kam verhuist naar de vroegere Mariënburgsche kerk, 
zoodat Nijmegen dan zal hebben : een zuiver Romeinsch 
museum en een ander — van de gemeente — voor het 
„middeleeuwsch”, voor de gemeentelijke geschiedenis 
en voor wat men daar verder zal willen bewaren, o.a. de 
ethnografische collecties, die wij op blz. 75 vermeldden. 




Daar werden de grootere voorwerpen geplaatst (blz. ®4). _J- ^ n * Rijksmuseum- Kam ). 


83 


Dat nieuwe, artistiek met inachtneming van de be- 
stemming uitgevoerde museumgebouw staat, zooals wij 
reeds opmerkten aan de vroegere Eleonorastraat, een 
monumentaal gebouw, een modelmuseum. Al is het 
hier niet de plaats om een uitvoerige beschrijving van 
dit gebouw te geven, daar het als zoodanig tot het 
allerjongste Nijmegen behoort, toch mogen enkele bij- 
zonderheden hier niet onvermeld blijven. 

Het uitwendige is modern gehouden, al ontbreken 
niet de aanwijzingen omtrent de bestemming, Zoo 
dragen de beide afgeknotte torens ter wederzijde van 
den ingang een bekroning (muurkroon) naar Romeinsch 
motief en de sterk vergroote reproducties van munten, 
met de revers, uit den tijd van Vespasianus en Nero. 
In het bovenlicht van de deur is de wolvin afgebeeld, 
die Romulus en Remus zoogde en daarboven de bekende 
initialen S. P. Q. R. (Senatus Populusque Romae). 
De ingang wordt geflankeerd door Romeinsche adelaars. 

Treedt men door de bescheiden deur binnen, dan 
komt men na de portiersloge en de vestiaire gepasseerd 
te zijn, in een groote hal van 13 bij 15V2 Meter, die 
opstijgt over de beide verdiepingen. Rondom die hal 
zijn 5 ineenloopende zalen gebouwd, waarin een groot 
deel van de verzameling in vitrines wordt tentoongesteld. 

Tegenover den ingang aan het einde van de hal 
verrijst een monumentale trap, die toegang geeft tot de 
gaanderijen van de verdieping, waar kasten en vitrines 
zijn geplaatst. Boven die trap is een afbeelding aan- 
gebracht van het Forum Romanum te Rome, geschilderd 
door den bekenden kunstenaar Huib Luns en daar is 
een plaats uitgespaard voor het borstbeeld van den 
grijzen verzamelaar en milden schenker, van de hand van 
den beeldhouwer A. Falize. Deze buste is een hulde 
van de gemeente Nijmegen. Rondom de hal zijn de 
namen aangebracht van de Romeinsche keizers, uit 
wier tijd de hier bewaarde voorwerpen stammen: 
C. J ul . Caesar, Octavianus Augustus, Fiberius Claudius 
Nero, Claudius I, Claudius Nero, Domitianus, Trajanus, 
Probus, Constantinus I, Flavius Claudius Julianus 11 


84 


en Flavius Honorius ; terwijl boven de deuren van ver- 
schillende zalen de namen van eenige der meest bekende 
pottenbakkers van het Romeinsche volk worden ver- 
eeuwigd. Onder de trap is een toegang tot een achterzaal, 
die lager gelegen is zonder een z.g. sousterrain te zijn ; 
de lagere ligging is een gevolg van de helling van het 
terrein. Daar worden de grootere voorwerpen b.v. 
sarcophagen geplaatst. De belichting van den museum- 
inhoud is uitstekend, dank zij het bovenlicht van de hal, 
de glazen bedekking der eenvoudig maar hoogst doel- 
matig ingerichte kasten en het zijlicht, dat uit de vensters 
van de verdieping in de rondom de hal loopende kamers 
valt. Alleen de grondkamer heeft zijlicht, omdat er 
rekening is gehouden met de mogelijkheid, dat deze 
ruimte later zou moeten worden opgetrokken, zonder dat 
het bouwwerk daarvan schade ondervindt. In dit museum- 
gebouw heeft in de eerste plaats de heer G. M. Kam 
zich een waardig gedenkteeken gesticht, maar ook de 
ontwerper, de architect Oscar Leeuw, onder wiens 
uitstekende leiding het geheele werk is uitgevoerd. 



Verguld-zilveren vizierhelm. (Museum KamJ. 


85 


CANISIUS-COLLEGE. 

Bij het bouwen van het Canisius-college op een plek, 
die gelegen is tusschen het Hunerpark en den Kopschen 
Hof (zie blz. 6) kwamen ook heel wat voorwerpen 
van oudheidkundige waarde aan het licht. 



Naar de jongste onderzoekingen ligt het grootsche 
gebouw juist binnen den westelijken hoek van het 
vroegere legerkamp der Romeinen, waarbij zich aan 
de voorzijde het begin hunner begraafplaats aansloot. 


. vermoedelijk een ambtszetel of sella curulis. (blz. 87) (Canisius-College)- 




87 


De voorwerpen op het terrein gevonden worden in 
een der kleinere zalen van ’t Collegegebouw met andere 
verzamelingen van natuurhistorischen en ethnografischen 
aard bewaard. Merkwaardig is de bijzondere gaafheid 
der gevonden Romeinsche voorwerpen, waaronder menig 
exemplaar van glas- of aardewerk door kleur of vorm 
uitmunt. Zeer opmerkelijk is een zetel, vermoedelijk een 
ambtszetel of sella curulis, (zie blz. 85), waarvan de 
reconstructie op ware grootte de oorspronkelijke sier- 
lijkheid getrouw aangeeft. De opgravingen werden 
gelukkigerwijze zoo systematisch door den E. P. Ferd. 
Leydekkers, S. }., den nog tegenwoordigen beheerder 
van het Museum, verricht, dat men in staat was het 
ontgraven terrein in kaart te brengen en daarop de 
vindplaats der graven en van elk der daarin gevonden 
voorwerpen met juistheid aan te geven (zie plattegrond). 

De overige wetenschappelijke verzamelingen, welke 
in hetzelfde Museum zijn ondergebracht, omvatten o.a. 
de belangrijke collecties van opgezette, inlandsche vogels, 
van schelpen en van mineralen. Deze laatste is tech- 
nologisch opgezet en ingedeeld, en de afdeeling der 
ruwe en geslepen edel- en siersteenen trekt daarin 
bijzonder de aandacht, ook omdat zij de eenige complete 
verzameling van dien aard is in Nederland. 

Ook deze verzamelingen kunnen wel door belang- 
stellenden bezichtigd worden, maar daartoe dient men 
tijdig vooraf verlof te vragen, waarop dag en uur van 
de gelegenheid zal worden medegedeeld. 



88 


NOG HIER EN DAAR. 



In een stad als Nijmegen is, die uit de oudheid 
dateert; van alle oorlogen, te land, die in den loop 
der eeuwen hebben gewoed, haar deel heeft gehad ; 
die de wisselingen op staatkundig en kerkelijk gebied 

heeft doorgemaakt 
en eerst in het 
laatste kwart van 
de vorige eeuw uit 
de enge banden 
van de vestingwer- 
ken is verlost, zijn 
natuurlijk nog aller- 
lei sporen over van 
die lotswisselingen. 

In de namen van 
straten komen nog 
allerlei herinnerin- 
gen voor van den 
tijd voor de Her- 
vorming. Wij noe- 
men bijvoorbeeld 
het Kloosterhof aan 
de Waalkade, ach- 
ter de inrichtingen 
van het electrici- 
teitsbedrijf. Die 
naam herinnert aan 
het Observanten- 
klooster, dat daar 
eenmaal stond, als opvolger van een ander, dat buiten 
de Hezelpoort stond en waar o.a. de bekende, spreek- 
woordelijk geworden Pater Brugmans leefde en stierf. 
Vooral in de oude stad gelegen tusschen de Hezel- 
straat en de Waal treffen wij nog verschillende van die 
oude straten, steegjes of typische gasjes aan, die eenmaal 
tot de meest gewaardeerde deelen van het oude Nijmegen 
gerekend werden, maar nu tot de achterbuurten behooren. 


.... verschillende 
(blz. 88), 


van die oude straten 
( Groote gas). 


89 



De Nonnenstraat, de Nonnenplaats en het Proosthof 
herinneren aan het Premonstratessenklooster of het huis 
Te Nonnen, dat daar gestaan heeft. Wij zouden nog 
kunnen noemen Klein en Groot Bethlehem en andere. 

Van de poorten 
der oude vesting 
is zoo goed als 
niets overgebleven, 
dan hetgeen wij 
op de Gedepu- 
teerden-plaats bij 
het Stadhuis heb- 
ben aangetroffen. 

In het Gemeente- 
museum op Marien 
burg hangen de af 
beddingen er van. 

Lang is nog een 
stuk van de Bottel- 
poort aan de Waal 
gespaard, maar de 
bouw van deElectr. 

Centrale heeft dat 
overblijfsel doen 
opruimen. 

In een muur 
aan de Waal is 
nog iets te zien 
van de Sint An~ 
thonispoort waar 
Maarten Schenk in 
1 589 een vergeef- 
schen aanval op 
de stad deed. Als 
een bord daar ter 
plaatse de herinnering niet levendig hield, zou het over- 
blijfsel van die poort niemands aandacht trekken. Nog 
sterker is dat het geval met het Bezienderspoortje , 
verderop aan de Waal, dat lang toegang gaf tot de 


die in de Steenstraat uitkomen. 

(blz. 89) 


90 


Mariatrappen, die in de Steenstraat uitkomen, maar 
dat later om ernstige redenen gesloten is. 

Resten van de vestingwerken aan de landzijde zijn 
overgebleven in het Hunerpark, waar zich in den 
walmuur nog een opening met trap bevindt, toegang 

gevend tot een onder- 
aardschen gang, welke 
onder de stad doorliep 
van het fort Sterre- 
schans tot aan de 
Markt ; en in het Kro- 
nenburgerpark waar 
alleen de Kronenbur - 
gertoren nog vrij gaaf 
staat. Maar in de 
namen van straten en 
wegen leven nog de 
vroegere versterkingen 
voort: Fort Kijk in de 
Polstraat en Sterre- 
schanstoeg en zelfs de 
Oranje- en d eNassau- 
singel ontleenen hun 
naam aan vroegere 
forten. Buiten de stad 
is eerst in de laatste 
jarenhet fort Kraaijen- 
typische gasjes (b!z. 88). ho f gesloopt; daar- 
tegenover aan de 

Betuwsche zijde ligt nog het fort Knodsenburg. 

Wat de kerkehjke gebouwen aangaat, wij spraken 
uitvoerig over de St. Stevenskerk en over de Waalsche 
kerk (Sint Jansklooster). De Broerenkerk (H. Dominicus) 
en het daaraan grenzende voormalige Dominicanenklooster 
vertoonen nog sporen van hun ouderdom, die voor den 
oudheidkundige van belang zijn. 

Het Oud-Burgeren-Gasthuis aan de Molenstraat is 
ook ten deele overblijfsel van een oud klooster; een 
poortje met hardsteenen omlijsting trekt de aandacht. 



91 


Particuliere gebouwen met iets antieks zijn er be- 
trekkelijk weinig. De „Voorloopige lijst der Neder- 
landsche monumenten van geschiedenis en kunst (191 7)” 
noemt o.a. eenige huizen aan de Groote Markt; twee 
gepleisterde gevels aan de Houtmarkt; een trapgevel aan 



.... ten deele overblijfsel van een oud klooster (blz. 90 ). 

( Oud-Burgeren Gasthuis). 

de Steenstraat en Achter de Vischmarkt; en nog een 
paar gevels aan de Snijderstraat, de Grootestraat, de 
Lagemarkt en het Kelfkensbosch (St. Josephschool). 

Gevelsteenen worden daar vermeld : Achter de 
Vischmarkt 22, Begijnenstraat 32 a, Stevenskerkhof 1 5, 
Groote Markt 6, Lage Markt 55, Achter de Hoofd- 
wacht 3 en Zeigelbaan 7. Min of meer merkwaar- 



92 


dige poortjes treft men aan bij den ingang der 
Doopsgezinde kerk (Arminiaansche plaats), Snijder- 
straat 23 en Houtstraat 77. 

In de genoemde „Voorloopige lijst” zijn nog ver- 
schillende détails en bijzonderheden opgegeven van 
oudheidkundige waarde, die wij hier niet vermelden. 



. . . . toegang gevend tot een onderaardschen gang (blz. 90). 

(Walmuur in het Hunerpark) 


ZAAKREGISTER. 

De cijfers geven de bladzijden aan. 


Aanbidding der Wijzen 59. 

Aken 31. 

Anthonispoort (St.) 89. 

Apostelkerk 63. 

Apostolische school 63. 
Arme-kinderenhuis 68. 

Backtoren 14. 

Barbarossa-Ruïne 18, 37. 

Bataven 7. 

Belvédère 19, 43. 

Bezienderspoortje 89. 

Blok (de) 51. 

Boevenklok 62. 

Bottelpoort 89. 

Broederenkerk 25. 

Bruinswaerd 20. 

Burchtpoort 13. 

Burggraaf 23, 24. 

Canisius-college 9, 85 
Chirurgijnsgilde 56. 
Dominicanenklooster 90. 
Egmondsche toren 22. 

Port Knodsenburg 90. 

Port Kraayenhof 90. 

Forum Romanum 83. 

Fransche kerk 65, 66. 
Gedeputeerden-plaats 50, 53. 
Geertruidskapel 18, 19, 41. 
Gemeente-Museum 73. 
Gewandhuis 55. 

Gladiatoren-beker 75. 

Gobelins 50, 51. 
Goejanverwellesluis 25. 
Graftombe 21. 

Heeckerens en Bronckhorsten 20. 
Heerengestoelte 59. 

Hoendeitoren 43. 

Hoofdwacht 54. 

Hotel Valk 7. 

Huijgensweg 9. 

Huis Te Nonnen 89. 

Ulustre school 65. 

Ingelheim 31. 

Janskerk 55. 

Jansklooster (St.) 65. 
Karolingische kapel 5, 16, 29. 
Kelfkensbosch 3. 

Kerkboog 51, 55. 

Kerspelkerk 19, 29. 

Klein- en Groot-Bethlehem 89. 
Klokken 36, 49. 

Kloosterhof 88. 

Kloosternonnen 69. 

Kopsche hof 6. 


I Kopsche veld 6. 

Kronenburgertoren 90. 

Latijnsche school 55, 63. 
Leeskamer 51. 

Leeuwentoren 14. 

| Lichtkronen 61. 

Lindenberg 11. 

Mariabeeld 47. 

Mariakerk 70. 

! Mariatrappen 90. 

Marienburg 69. 

Monumentale brug 6. 
Museum-Kam 9, 77. 

Nicolaasgilde (St.) 64. 

Niftrik (Slag bij) 21. 

Nijmeegsch raadsel 49. 
Nonnenplaats 89. 

Nonnenstraat 89. 

Noormannen 15. 
Observantenklooster 88. 
Onderaardsche gang 90, 92. 
Opschriften 5. 
Oud-Burgeren-Gasthuis 90. 
Pastoorsgasje 41. 

Patriotten en Prinsgezinden 24. 
Predikheeren 23. 
Premonstratessen 89. 
Prinsengestoelte 59. 
Prinsenkamer 24. 

Proosthof 89. 

Raadzaal 51. 

Reuzentoren 14, 27. 
Rijksmuseum-Kam 9, 77. 
Romeinsche begraafplaats 86. 
Ruïne 18, 37. 

Schild van Blerik 53. 
Schepenbank 46. 

Sella Curulis 87. 
Stadhouderskeuze 23. 

Stadhuis 44. 

Stapelrecht 21. 

Stedelijk Gymnasium 64. 
Stevenskerk (St.) 19, 41, 58. 
Stevenskerkhof 62. 

Terra sigillata 36. 

Tiende legioen 8. 

Trouwstoel 53. 

Trouwzaal 48, 50. 

Ubbergsche Veldweg 7, 9. 
Valkhof 3 v.v. 

Vleeschhuis 54. 
Vredesonderhandelaars 51. 
Waag 54. 

Weeshuis 67. 


PERSONENREGISTER. 

De cijfers geven de bladzijden aan. 


Adolf van Gelder 22. 

Adolf van Nassau-Siegen 61. 
Albertus Magnus 58. 

Anna Catharina van Bourbon 22,61. 
Anna Paulowna 43. 

Anna van Oostenrijk 23. 

Arnoud van Egmond 21. 

Beatrix 18. 

Beijens (J. L. H.) 75. 

Beverningk (Van) 51. 

Bevilaqua 51. 

Bijleveld (Mr.) 74. 

Buijs (Stijn) 67. 

Buijs (Thomas) 61. 

Call (Jan van) 49. 

Canis (Jacob) 23. 

Catharina van Kleef 21. 

Cerealis 5. 

Claudius Civilis 5, 8. 

Collinet 47. 

Cornelis Sas 47. 

Cuijpers (Dr. P. J. H). 47, 71. 
Daniels (M.) 14. 

Dirk III 17. 

Eleonora 20. 

Estrades (d’) 51. 

Falize (A.) 83. 

Francken (Mr. W.) 4, 51. 

Frederik II 19. 

Frederik Barbarossa 18, 37. 

Gaert van Dulcken 47, 51. 

Geijn (Gebrs. v. d.) 49, 62. 

Godfried II 17. 

Goijen (Jan van) 13, 51. 

Goris (Lambert) 61, 65. 

Graadt van Roggen (Johs. H.) 4, 51. 
Gregorius IX 19. 

Gront (J.) 49. 

Haaren (van) 51. 

Hardt (Johan de) 49. 

Hendrik II 17. 

Hendrik III 17. 

Hendrik IV 18. 

Hertog van Brunswijk 25. 

Hertog van York 25. 

Holwerda (Dr.) 5. 

Hütschler (Mr.) 74. 

In de Betou 35, 61. 

Innocentius IV, 19. 

Jacob Canis 23. 

Jacob van Randwijck 24. 

Jacobs (Joost) 59. 

Jan II van Henegouwen 19. 

Jan van Nassau 23. 

Jenkins 51. 

Kam (G. M.) 74, 77. 

Karei V 23. 

Karei van Egmond 22. 

Karei de Groote 14, 29. 

Karei de Kale 15. 


Karei de Stoute 22. 

Keerberger (Jan) 61. 

Koenraad II 17. 

Koenraad III 17. 

König (Ludwig) 61. 

Laemans (Willem) 61. 

Lambert Charles 61. 

Langeveld (Rutger van) 49, 51, 70. 
Leeuw Sr. en Jr. (H.) 49 
Leeuwens (Jacob) 61. 

Leijdekkers S. J. (E. P. Ferd.) 87. 
Leo XIII 15. 

Lijnden (Van) 24. 

Lijnden (Sibilla v. d.) 61. 

Lodewijk de Vrome 15, 31. 
Lotharius 15. 

Ludwig Fr. Wilh. van Saksen- 
Hildburghausen 61. 

Luns (Huib) 83. 

Maria van Bourgondië 22. 

Maria van Hongarije 23. 

Maurits (Prins) 24. 

Maximiliaan van Oostenrijk 22. 
Nicolaas (Heilige) 35. 

Otto I 17. 

Otto III 17. 

Otto III (van Gelder) 19. 

Otto IV 18. 

Parma 43. 

Pater Brugmans 88. 

Pepijn 15. 

Philips II 23. 

Reinoud I 19. 

Reinoud II. 20. 

Reinoud IV 21. 

Rudolf (Keizer) 19. 

Schaeff (Cornelis Hermansz) 59. 
Schenck (Maarten) 61, 89. 
Sigusmund (Keizen 21. 

Smetius 41, 61, 65. 

Sophia van Wurtemberg 43. 
Stockade 51, 53. 

Straalman 3. 

Stuers (Victor de) 71. 

Tappé (Karei Christoffel) 62. 
Teller (Daniël) 49, 51. 

Temple (William) 51. 

Terwindt (H. L.) 4, 51. 

Turenne 24. 

Welderen (Van) 67. 

Welij (A. van) 51. 

Weve (J. J.) 29. 

Willem I (van Holland) 18. 
Willem II (van Holland) 19. 
Willem IV (Stadhouder; 51. 
Willem V (Stadhouder) 24. 
Willem van Egmond 22. 

Willem van Gulik 20. 

Willem van Kleef 23. 


INHOUD. 


Bladz. 

INLEIDING 3 

HET VALKHOF EN ZIJN GESCHIEDENIS 13 

De Karolingische kapel 29 

De Barbarossa-ruïne 

OUD-NIJMEGEN 41 

De St. Geertruidskapel 44 

De Belvédère 44 

Het Stadhuis 44 

De Waag 54 

De Kerkboog 55 

De St. Stevenskerk 58 

De Apostolische of Latijnsche School 83 

Het St. Jansklooster 83 

Het Weeshuis 87 

Mariënburg 89 

De Mariakerk 70 

Het Gemeente-Museum 73 

Het Rijksmuseum-Kam 77 

Het Canisius-College 85 

Nog hier en daar 88 

ZAAKREGISTER 93 

PERSONENREGISTER 94 


„Nimègue, une ville fort coquette” was, 
in een rapport, verschenen in ;; La France 
Automobile”, bondig maar karakteristiek 
de indruk, door een automobilist weerge- 
geven van zijn bezoek aan Nijmegen en 
hare schilderachtige heuvellandschappen. 

O pmerkelijk groot is in de laatste jaren de 
stroom van hen, die zich naar Nijmegen 
begeven, niet alleen als tijdelijk ver- 
blijvenden, maar ook metterwoon zich daar 
vestigend. Nijmegen wordt gerekend onder de 
gezondste plaatsen van Nederland, dank zij 
vooral de enorme uitbreiding van het hooger 
gelegen gedeelte der stad, waar de lucht droog en 
zuiver is. De directe nabijheid der Heilig-Land- 
stichting, gelegen op een der schoonste terreinen, 
verleent aan Nijmegen een verhoogde aantrek- 
kelijkheid. 

Wie Nijmegen bezoekt, schaflfe zich aan den 
grooten geïllustreerden gids 

NAAR NIJMEGEN. Met plattegrond, 

2 wandelkaarten en kaartje Heilig- 

Landstichting f 1,25 

BEKNOPTE GIDS VAN NIJMEGEN . . - 0,35 
PLATTEGROND VAN NIJMEGEN. ... - 0,80 
WANDELKAART DER OMSTREKEN 

met het nieuwe Maas- en Waalkanaal - 1,30 

ALBUM VAN NIJMEGEN ~ 1,-1 

In eiken boekhandel verkrijgbaar. 

Ook direct bij de Boek- en Kunstdrukkerij 
P. A. Geurts, Nijmegen